Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beschermen eensdeels het daarachter liggende land tegen de inwerking deigolven, anderdeels zijn zij aan voortdurende verplaatsing landinwaarts onderhevig en kunnen daardoor oorzaak zijn dat vruchtbare streken geheel onder zand bedolven raken. De vorming der duinen is in fig. 150 voorgesteld. Eerst wordt de ruimte aan de vóórzijde van de hindernis PQ met zand gevuld; het latere zand blijft gedeeltelijk op het eerste liggen en voor een ander deel valt het achter V Q neer. Van daar dan ook dat de helling der duinen naar de zeezijde veel geringer is dan naar de landzijde.

Heeft de wind reeds op de vorming dezer duinen grooten invloed, in nog sterker mate is dit het geval bij de vorming van den zoogenaamden löst (§ 106) die in samenstelling als een kalkrijke leem kan beschouwd worden.

Het gesteente, dat tot de gematigde gewesten beperkt schijnt te zijn, vertoont in het geheel geen laagvorming, doch een bijzondere voorliefde voor vertikale afzondering; het is zeer zacht en laat zich reeds tusschen de vingers fijuwrijven waarbij hoekige kwartskorreltjes terugblijven, daarbij echter zoo vast dat loodrechte en zelfs overhangende wanden blijven staan.

De kleur is geelbruin; kenmerkend is de aanwezigheid van loodrechte kanaaltjes, vermoedelijk van grashalmen afkomstig, en die later door kalk zijn gevuld geworden, en van eigenaardig gevormde harde concreties die men lösspopjes of löasmannetjes heeft genoemd.

Glimmerblaadjes komen vrij algemeen voor doch liggen zeer onregelmatig. Alles wijst er op dat het gesteeule zonder de hulp van water en alleen door de kracht van den wind is ontstaan.

In tegenstelling met lateriet (§ 143) vormt de löss een vruchtbaren bodem voor grassen, indien de dikte niet te groot is, daar het regenwater zeer spoedig doorzinkt.

Sluiten