Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XIV.

AARD- EN ZEEBEVINGEN,

§ £38. BEPALING; VERSCHILLENDE SOORTEN; CENTRUM; EPICENTRUM. Het is bekend dal zware schokken, ontploffingen en in bergstreken ook het naar beneden vallen van groote steenmassa's, gebouwen en den grond waarop ze staan kunnen doen schudden, doch alleen wanneer de oorzaak dier schudding of beving niet op maar onder de aardkorst te zoeken is, spreekt men in geologischen zin van een aardbeving.

De wetenschap, die zich met de — zeer moeilijke studie der laatstbedoelde verschijnselen bezig houdt, heet aardbevingskunde of, zooals men gewoonlijk met een grieksch woord zegt, seismologie (afgeleid van seismos =

trilling en logos = wetenschap).

Hetgeen men bij een aardbeving waarneemt is niet altijd hetzelfde. Soms voelt men een of meer korte hevige stooten ol schokken, die kleine voorwerpen doen opspringen en nagenoeg vertikaal van beneden naar boven zijn gericht (slootbevingen); een ander maal krijgt de waarnemer den indruk of hij zich op een sterk slingerend schip bevindt (gol(bevingen)-, in nog andere gevallen worden los staande vertikale voorwerpen om hun lengteas omgedraaid {draaiende bevingen).

Toch, hoe verschillend ze den waarnemer ook mogen schijnen, zijn deze bewegingen slechts de gevolgen van éénzelfde oorzaak.

Gaan wij na een hevige aardbeving de berichten na die van de in den omtrek gelegen plaatsen tot ons komen, zoo zien wij dat in een betrekkelijk kleine ruimte de uitwerking het hevigst is geweest: men noemt die plaats het centrum der aardbeving. Naarmate de plaatsen verder van dit centrum verwijderd zijn worden de verwoestingen minder zwaar en op verren afstand neemt men alleen nog een zeer zwakke golving of trilling waar.

Uit die berichten is verder nog te zien; ten eerste dat de gelijksoortige waarnemingen niet naar alle richtingen even ver van het centrum verwijderd zijn en ten tweede dat de sloot, golfbeweging of beving niet overal op het-

Sluiten