Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

m

Hierbij zijn weder twee zaken op te merken:

ten eerste, dat men omtrent de samenstelling der inwendige organen Tan een aantal fossiel voorkomende dieren zich niet altijd de noodige zekerheid kan verschaffen, en dit alleen mogelijk zal zijn indien nog heden soortgelijke dieren in levenden toestand voorkomen en onderzocht kunnen worden;

ten tweede, dat ook beenderen, schelpen enz. van reeds gestorven dieren slechts voldoende bewaard zullen zijn gebleven indien zij niet door grooten druk werden verbrijzeld of aan scheikundige inwerkingen zijn onderworpen geweest.

Zoo beslaan b. v. de schelpen van oesters enz. voor een groot deel uit koolzure kalk, die zooals reeds in § 54 is gezegd door koolzuurhoudend water in vrij sterke mate wordt opgelost. Zijn dus de lagen waarin deze dieren zijn opgesloten aau de inwerking daarvan onderworpen geweest, zoo vindt men gewoonlijk geen spoor van fossielen meer, doch alleen soms de indruksels van den buitenkant der schelpen in het gesteente (b. v. in kleisteen, mergel, kleischiefer, kalksteen enz.), terwijl holle ruimten de oorspronkelijke plaats

van het dier innemen.

Niet zelden zijn deze later weer opgevuld geworden door vreemde stoffen, zooals kiezelzuur, pyriet, kalk, waardoor ten minste dan de uitwendige-, en soms ook de inwendige (b. v. koralen, sponzen enz.) vorm meer of minder goed is bewaard gebleven: men noemt ze dan steenkernen.

Ook de plaats waar de weeke deelen van het dier oorspronkelijk aanwezig waren is gewoonlijk met verschillende stoffen gevuld, zelfs al is de schelp tevens behouden gebleven.

§ £88. GESCHIKTHEID DER GESTEENTEN OM FOSSIELEN TE BEWAREN. Niet alle gesteenten zijn even geschikt om overblijfselen van organische wezens te bewaren. In de eerste plaats geldt dit wat de planten betreft. Hier is niet zooals bij de dieren een gedeelte van het lichaam uit harde anorganische stoffen samengesteld, zoodat alleen de indruksels van bladeren, bloemen, vruchten en stammen kunnen behouden blijven, of wat de beide laatste plantendeelen aangaat, ook de steenkernen.

Nu zal het duidelijk zijn dat alleen zeer fijnkorrelige en zachte gesteenten in staat zullen zijn de indruksels van bladeren en bloemen in eenigszins volkomen toestand in zich op te nemen, en dat men deze dus bij voorkeur zal vinden in mergels of zachte schiefers, tuffen enz.

Inlusschen worden zij ook niet zelden in fijne zandsteenen en kalksteenen aangetroffen; daarentegen nooit in kristallijne gesteenten b. v. korrelige kalk, en -gips; evenmin in grovere conglomeraten of brecciën.

Sluiten