Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ni

De alleen door oefening te verkrijgen kunst is nu: uit die hoogtelijnen onmiddellijk de terreingesteldheid te kunnen heoordeelen zonder tot eenige constructie zijn toevlucht te nemen.

Voor geologische doeleinden zijn de gearceerde kaarten zeer ongeschikt en voornamelijk voor détailkaarten zijn zulke met hoogtelijnen alleen bruikbaar.

§ 191. DE VOORSTELLING VAN DE UITGAANDEN VAN LAGEN EN GANGEN. Om het nut dier lijnen ook voor de praktische geologie aan te toonen zullen wij hierna eenige eenvoudige gevallen behandelen.

In fig. 165 (Plaat VII) is een stuk van een landschap n.1. een dal K K en twee bergruggen M en N geteekend. De schaal wordt verondersteld te zijn 1 : 20.000; de onderlinge afstand der horizon lale hoogtevlakken dus 10 Meter. Hoogtelijn 40 behoort dus evenals hoogtelijn 50 tot een horizontaal vlak. Een horizontale laag (b. v. koollaag) van 5 M. dikte, die tusschen 23 en 27 M. hoogte is gelegen zal dus op de kaart worden voorgesteld als in de figuur met een dikke lijn is aangegeven: het uilgaande dier laag is dus geen rechle lijn maar een lijn, welker krommingen zijn gelegen tusschen die der hoogtelijnen 20 en 30 en die deze beide lijnen nooit snijdt. Zoodra dit laatste wel het geval is kan de laag niet horizontaal zijn.

Gaan wij nu over tot het meer algemeen voorkomende geval dat de laag niet horizontaal is doch b. v. N. 41 0. strijkt en 131/2° naar het Z.-O. helt; voor het gemak zullen wij de constructie slechts uitvoeren voor een der beide voegvlakken der laag.

In de perspectievische figuur 166 zijn tt en tx twee hoogtevlakken, terwijl LL de beschouwde laag is: deze snijdt dus de niveauvlakken volgens twee horizontale en evenwijdige lijnen p q en r s. Verder zij 11 het basisvlak, waarin de hoogtelijn xalaaix is gelegen. In het vlak f, ligt de hoogtelijn y zx z z1y die in projectie op het basisvlak dus de volkomen gelijk en gelijkvormige gedaante y' z\ z' z\ y' bezit.

In a is men in de gelegenheid geweest de strijkrichting rs en den hellingshoek m° te bepalen. De punten at, a en a2 waarin de hoogtelijn xx van het basisvlak door de strijkrichting gesneden wordt behooren dus tot de gezochte projectie van het uitgaande der laag; de vraag is nu de punten op te zoeken van de projectie y' y' der hoogtelijn y y die eveneens door het gepTojecteerde uitgaande gesneden wordt. In werkelijkheid zien wij dat hiertoe de snijpunten

z en z.2 op het basisvlak moeten worden geprojecteerd; wij vinden die geprojecteerde punten echter ook door p q op 11 te projecteeren (als p' q') en de snijpunten van p'q' met y' y' te bepalen. Nu loopt p' q' evenals p q even-

Sluiten