Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rechthoek xxxyy^ (fig. 168c) x y = prt eveneens in 8 deelen is verdeeld. Deze verdeeling geschiedt het nauwkeurigst op de bekende meetkundige wijze door x z in een willekeurige richting te trekken en daarop 8 gelijke, doch overigens willekeurige stukken x v af te zetten, daarna z met y te vereenigen en uit de deelpunten op xz lijnen te trekken evenwijdig aan z y; desnijpuuten dier lijnen met x y geven dan de verdeelpunten aan.

Met behulp van de rechthoeken xx1yy1 en s s1 t tx zijn in de fig. 168a

op de te voren aangegeven wijze de uitgaanden ac' d' e' l'... .b en

aede...• .b der laag bepaald, respectievelijk voor een helling van 10 en van 25°.

Bepalen wij ons voorloopig alleen bij de laatste helling, zoo is dus

acd ikl ba de projectie op het hoogtevlak 5 van dat gedeelte der

laag, dat boven genoemd vlak in den heuvel besloten is. Hieruit moeten wij nu de oppervlakte van het laaggedeelte zelf berekenen of construeeren. Laten

wij uit de punten c, d, e k, l .... loodlijnen neer op a b, dan komen

deze loodlijnen eet, ddt l in beteekenis overeen met afstanden

als ab' in fig. 166, dus met de projecties van ab, terwijl men de ware lengten a b wil kennen.

De constructie van het ware oppervlak van het bovenbedoelde laaggedeelte komt dus hierop neer: Maak (fig. 168d) den hoek man = 25 , zet am=st er op af, trek m n loodrecht op m o en trek uit de 7 tusschenliggende deelpunten van m a lijnen evenwijdig aan m n, dan is a n de ware lengte van den afstand in de laag begrepen tusschen de niveauvlakken 5 en 45. \er\ulgens brengt men de punten elf rfx, et .... lt .... over, richt in die punten loodlijnen op a b op en trek uit de 8 verdeelpunten van a » lijnen evenwijdig aan ab tot zij de loodlijnen snijden. De lijn c, 1 is dan de ware afstand in de laag tusschen de niveauvlakken 5 en 10, de lijn d1 2 die tusschen de

niveauvlakken 5 en 15, enz de lijn kt 8 = 1^8 die tusschen de

niveauvlakken 5 en 45. De gebogen lijn al 23....8 8 / ....b is dus de ware vorm van de uitgaande lijn der laag en deze laatste heeft tot oppervlak

de figuur a 123... .88'... .b a.

Dit oppervlak wordt nu met behulp van een planimeter of door ruitjes bepaald en in M1 uitgedrukt. Het verkregen getal, vermenigvuldigd met het vierkant van de schaal der kaart (in ons geval dus ÏOO.OOO.OCO) en met de dikte der laag in meters, geeft in M3 de hoeveelheid door de tunnelontginning te winnen erts of kool. Het aantal tonnen (van 1000 KG.) verkrijgt men natuurlijk door het aantal M3 nog te vermenigvuldigen met het soortelijk gewicht van het nuttige mineraal. •

Sluiten