Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Slaal de laag of gang loodrecht, zoo valt het uitgaande samen met de lijn ab. Om het oppervlak te weten boven het hoogtevlak 8 bepaalt men de snijpunten van a b met de hoogtelijnen, richt in die punten loodlijnen op a b op en maak deze lang zooveel maal '/2 111.111. als de hoogtelijn in werkelijkheid 5 M. boven ab ligt; de vereeniging van de eindpunten der loodlijnen en met a en b geeft dan weer het verlangde uiteinde (tig. 168e).

Men ziet uit de fig. 168a dat de oppervlakte van de uitgaande figuur grooter wordt naarmate de laaghelling kleiner wordt. Eveneens is het in verband met fig. 166 duidelijk dat de ware oppervlakte van het gezochte laaggedeelte minder van hare projectie zal verschillen naarmate de hellingshoek der laag kleiner is. De in fig. 168</ uitgevoerde constructie kan ook geheel worden vermeden door toepassing van trigonometrie, want evenals in fig. 166:

ab = kan men ook zeggen:

cos. m DO

. . geprojecteerd oppervlak

ware oppervlak = — ——.—

cos. m

zoodat men dan slechts de oppervlakte van acd... .1... .ba in fig.l68adoor een planimeter heeft te bepalen en het verkregen cijfer door cos. 2S° heeft

te deelen om de oppervlakte van al 23...8 8' ba uil fig. 168rf te

verkrijgen.

§ 193. Wij zullen ons niet verder bezighouden met de constructie deiuitgaande lijnen van plooien en zadels en alleen nog de verkregen resultaten samenvatten in de volgende regels:

1. fndien men twee snijpunten van de uitgaande lijn eener laag of gang met dezelfde hoogtelijn door een rechte lijn verbindt, zoo beeft men de strijkrichting van laag of gang.

2. Trekt men twee zulke verbindingslijnen die op verschillende hoogtelijnen betrekking hebben en blijken zij evenwijdig te zijn zoo is dit een bewijs daarvoor dat de laag hetzelfde strijken en invallen behoudt dus een plat vlak is. Loopen die lijnen niet evenwijdig zoo moet de laag gekromd zijn.

3. Horizontale lagen geven uitgaande lijnen die met de naastbijzijnde hoogtelijnen nagenoeg evenwijdig loopen of deze ten minste niet snijden.

4. De uitgaande lijnen van hellende lagen kunnen eenigen tijd evenwijdig loopen met de hoogtelijnen maar moeten deze ten slotte toch snijden.

5. Wanneer een hellende laag schuin op de lengterichting van een dal strijkt vormt de uitgaande lijn aldaar een boog. De in het dal stroomende rivier vloeit m dien boog waaneer de laaghelling in dezelfde richting loopt als

Sluiten