Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

É3ë

niet weinig pyriet. Hoe dieper men komt, hoe meer het gehalte aan goudhoudend pyriet toe en dat aan vrij goud afneemt.

III. In de dunnere gangen komt het goud meest tamelijk regelmatig verspreid voor; in de dikkere gangen wisselen rijke gedeelten [zuilen en bonanza's (§ 128)] met veel armere op onregelmatige wijze af.

g §92. Zilverertsen.

Terwijl goud bijna altijd aan de aanwezigheid van kwarts als ganggesteente gebonden is, vindt men de zilverertsen in den regel in gezelschap van kalkspaat, zwaarspaat en vloeispaat, zonder dat daarom kwarts is uitgesloten.

Het zilver en zijn eigenlijke ertsen komt voor zoover bekend uitsluitend voor in gangen. Aan de uitgaanden wordt veelal gedegen zilver en hoornzilver gevonden; naar de diepte toe komt dan hoofdzakelijk zilverglans, dat op zijn beurt van lieverlede verdwynt om plaats te maken voor roodgultigerts.

Behalve uit de echte zilverertsen wordt het metaal ook gewonnen uit vaalerts, loodglans en soms ook uit koperkies, terwijl ook het goud in den regel in meerdere of mindere mate zilverhoudend is.

Terwijl Europa slechts weinig goud oplevert is de zilverproductie niet onbelangrijk ofschoon deze voor een goed deel wordt verkregen uit loodglans (Harz, Saksen, Boheme, Frankrijk). Van de echte zilvermijnen noemen wij die van:

Kongsberg in Noorwegen. Smalle gangen in gneiss en kristallijne schiefers; dikte 0.005—0.30 M. De erlsen beslaan hoofdzakelijk uit gedegen zilver en zilverglans in een ganggesleenie van kalkspaat met kwarts. Ondei geschikt komen voor: zwaarspaat, vloeispaat, zinkblende, loodglans, inispickel, koperkies.

Chemnilz in Hongarije. I)e zeer jonge (pliocene) soms zeer lange gangen (men kent ze tot 8000 iM. lengte) liggen ten deele in jong-vulkanisch gesteente (andesiet), ten deele in syeniet, gneiss, kwartsiet enz. De in andesiet gelegene zijn gewoonlijk smal doch vormen tot 40 M. dikke gangbundels; de opvulling bestaat uit veel kwarts in verschillende varieteilen (jaspis, amethist, sinopel enz.) waarin de ertsen onregelmatig of in zuilen verspreid zijn; deze soort gangen is tevens goudhoudend; naar beneden worden zij armer en gaan soms in zuivere loodglansgangen over. De gangen in syeniet enz. zijn minder talrijk doch dikker; zij bevatten meer kalkspaat en uilsluitend zilverertsen, geen goud.

Het eiland Sardinië (Italië) bezit bij Sarrabus rijke zilvergangen die de silurische schiefers en kwartsieten doorsuijdeu en in de carbonische- of trias-

Sluiten