Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dicht bijeen, soms op vrij grooten afstand van elkaar zijn gelegen. Een nadere verplichting van den opspoorder is dus hiernaar een onderzoek in te stellen. De te volgen methode spreekt bijna van zelf: het terrein wordt nagegaan aan beide zijden van de eerslgevonden ligplaats, een flink eind loodrecht op het strijken Bevinden zich in die richting natuurlijke insnijdingen zoo komen deze hel eerst in aanmerking en vooral beekjes (doch ook voetpaden) kunnen daarbij van veel nut zijn. Deze beekjes worden eerst eenvoudig beloopen en hier en daar door waschproeven onderzocht. Vindt men eenige aanwijzing, zoo worden vooral de oevers nauwkeurig nagegaan, zoo noodig nadat zij aan de onderzijde zijn schoongemaakt en de bovengrond er door afgraving is verwijderd. Na het ontdekken eener nieuwe ligplaats wordt deze op dezelfde wijze als de eerste in het strijken onderzocht.

Het zal wel duidelijk zijn dat dergelijke opsporingen heel wat gemakkelijker zijn en spoediger resultaat zullen opleveren in een bergstreek dan in een vlak of laag heuvelachtig terrein. In de laatste gevallen zal men b. v. voor het nagaan van koollagen met vrucht kunnen gebruik maken van een handboortoestel, waarmede men van 10—15 M. diepte kan komen. Zooveel mogelijk loodrecht op de reeds bekende strijkrichting der lagen wordt dan een pad gekapt en b. v. op 50 M. onderlingen afstand een gat geboord loodrecht op de helling der lagen. Hierbij is verondersteld dat deze tamelijk vlak zijn gelegen; steilstaande lagen vindt men in den regel bij goed zoeken ook zonder boren daar deze door alle riviertjes worden ontbloot. Dat men toch op mogelijk veel plaatsen strijken en helling moet bepalen en de verdere richting van pad en boorgat moet nemen loodrecht op de laatst bepaalde richtingen aan de lagen spreekt wel van zelf.

Van elke aangetroffen ligplaats worden de eigenschappen en met name de aard der opvulling zorgvuldig bestudeerd en daarenboven worden de verschillende ligplaatsen alsmede de deelen van eenzelfde ligplaats door een meting aan elkaar verbonden en in kaart gebracht, waarbij het omgevende terrein, zij het ook op eenigszins primitieve manier, wordt ingeschetst. De ligplaatsen worden daarop duidelijk genummerd en de niet waargenomen, doch vermoede verbindingen door stippellijnen aangegeven. Een zoo uitvoerig mogelijke en tot in détails afdalende beschrijving, geslaafd door de noodige monsters van gesteenten, dient tot verduidelijking der kaart.

§ 220. HET NEMEN VAN MONSTERS. Naar mijn oordeel behoort nóch het maken van galerijen of schachten (pulten) noch het letten op verwerpingen en dergelijke samengestelde en lastige geologische verschijnselen tot

Sluiten