Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

b. zijne verplichtingen als zoodanig niet naar behooren nakomt;

c. physiek te zwak of intellectueel achterlijk blijkt te zijn;

d. door gedragingen in of buiten den dienst niet langer de waarborgen geeft, dat hij waardig zal zijn den officiersrang te bekleeden;

e. zich niet gunstig onderscheidt door beschaving; of

f. andere hoedanigheden voor den officiersrang vereischt, mist;

wordt door Onzen Minister van Oorlog van de opleiding ontslagen.

Bij ontslag wegens onvoldoenden ijver of wegens het niet naar behooren nakomen van de verplichtingen, dan wel wegens gedragingen als onder d van dit artikel bedoeld, wordt de adspirant-militie-officier niet ontheven van zijne vrijwillige verbintenis en blijft hij dus, hoewe! niet meer deelnemende aan de opleiding, gehouden den werkelijken dienst in den rang of stand, dien hij bekleedt, te vervullen, waartoe hij krachtens zijne vrijwillige verbintenis als adspirant-militie-officier verplicht is en als militie-officier verplicht zou zijn.

Heeft het ontslag daarentegen plaats om een van de andere hierboven genoemde redenen dan wordt de adspirant wel van zijne vrijwillige verbintenis ontheven en komen uitsluitend de uit de Militiewet voortvloeiende plichten weder op hem te rusten.

Hij, aan wien de vergunning, als bedoeld in artikel 8, niet verleend wordt, of die daarvoor niet in aanmerking werscht te komen, dan wel die ten tweeden male bij dat examen niet slaagt, wordt van de verbintenis ontheven, komende de uit de Militiewet voortvloeiende plichten alsdan weder op hem te rusten.

Artikel 10.

Voor benoeming tot militie-officier worden bij Ons in aanmerking gebracht de vaandrigs, als in dit besluit bedoeld, die bij de militie zijn ingelijfd, en

1°. het bewijs hebben overgelegd van te zijn Nederlander, overeenkomstig artikel 13, 1°.—3°. der Militiewet 1901;

Sluiten