Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 16.

Aan den militie-officier, zoowel als aan den adspirantmilitie-officier, niet in werkelijken dienst, is het geoorloofd, zonder daartoe vergunning bekomen te hebben, zich voor hoogstens drie achtereenvolgende maanden in het buitenland op te houden.

Voor langer verblijf is de toestemming van Onzen Minister van Oorlog noodig. Aan hen, die den in het eerste lid van artikel 4 bedoelden tijd in werkelijken dienst hebben volbracht, wordt deze toestemming, wanneer zij gevraagd wordt en blijkt noodig te zijn ter zake van uitoefening van of opleiding tot betrekking, beroep, landbouw, handel of nijverheid of wel tot verdere ontwikkeling en vorming op het gebied van wetenschap of kunst, in gewone tijden niet geweigerd. Bij die toestemming kan door voornoemden Minister hetzij geheele, hetzij gedeeltelijke vrijstelling worden verleend van de verplichtingen bedoeld in artikel 11.

Artikel 17.

De tot den rang van vaandrig aangestelde adspirantmilitie-officier is verplicht voor eigen rekening te voorzien in de aanschaffing en het onderhoud van zijne wapenen, kleeding en uitrusting. Als tegemoetkoming in de kosten van een en ander ontvangt hij bij zijne aanstelling tot vaandrig, eene som van tweehonderd gulden (f 200) terwijl hem voorts bij zijne benoeming tot militie-officier nog honderd en twintig gulden (ƒ 120) zal worden uitgekeerd.

Artikel 18.

De adspiranten-militie-officier genieten dezelfde soldij als hunne ranggenooten van het reservekader bij de infanterie.

Ten aanzien van het genot van soldij bij afwezigheid met verlof van den adspirant-militie-officier, alsmede ten opzichte van de verstrekking en het onderhoud van de kleeding en uitrusting aan den adspirant, beneden den rang van vaandrig, gelden de daaromtrent voor de militie vastgestelde bepalingen.

Artikel 19.

De militie-officier zal gedurende zijn verblijf onder

Sluiten