Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door den Minister van Oorlog geschiedt — keeren de als zoodanig benoemden, tot het verrichten van den practischen dienst als in artikel 7 van het Besluit bedoeld, voor zooveel noodig terug naar de regimenten, van welke zij zijn gedetacheerd.

7°. Tusschen 1 .-en 10 October moet door de Korpscommandanten aan den Inspecteur der Infanterie verslag worden uitgebracht nopens de practische geschiktheid der vaandrigs voor den officiersrang. De ter zake uit te brengen rapporten moeten, voor hen die geacht worden daartoe in de termen te vallen, vergezeld gaan van de vereischte voordrachten ter benoeming tot militie-tweede-luitenant. Deze voordrachten worden door den Inspecteur zoodra doenlijk, voorzien van diens advies en door tusschenkomst van den Commandant van het Veldleger, aan het Departement van Oorlog ingezonden.

8°. De voordracht tot ontslag van de opleiding en het voorstel tot ontheffing van de verbintenis, als bedoeld in artikel 9 van het Besluit, moeten met redenen omkleed — in tabellarischen vorm en in tweevoud — door tusschenkomst van den Inspecteur der Infanterie en door dezen, voorzien van zijn advies, aan de beslissing van den Minister van Oorlog worden onderworpen.

9° De militie-officier die, ten einde te voldoen aan het bepaalde onder II van artikel 11 van het Besluit, op een bepaalden datum dan wel in een bepaald jaar onder de wapenen wenscht te komen, doet daartoe een schriftelijk verzoek aan den regiments-commandant en wel telkens vóór 1 Mei van het jaar, waarin hij onder de wapenen moet komen.

Op overeenkomstige wijze wordt gehandeld door den militie-officier, die, ter voldoening aan het gestelde in de eerste alinea van artikel 12 op een bepaalde datum onder de wapenen wenscht te komen.

Voor zooveel de belangen van den dienst en van de oefening van den betrokkene zulks toelaten, wordt het verzoek door den voornoemden Commandant ingewilligd.

lQo. Ten aanzien van den militie-officier, die het

Sluiten