Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarheid en werkelijk zijn geschapen, omdat de wateren volstrekt niet bekwaam en geschikt zijn tot het voortbrengen daarvan, zoeken slechts eene uitvlucht. Immers, dan zou toch dit vaststaan, dat de stof er eer geweest is, hetgeen de eigenaardige beteekenis van het woord niet toelaat. Doch ik wil dit scheppen niet verbinden aan het werk van den vijfden dag, maar ik zeg veel liever, dat het in verband staat met de wanstaltige en verwarde massa, die als 't ware de bronader der geheele wereld was. God schiep dus de walvisschen en overige visschen, niet omdat het begin hunner schepping moet gerekend worden van het oogenblik, dat ze gedaante kregen, maar omdat ze tot het geheele lichaam, dat uit niets is geschapen, behooren. Wat dus de soorten betreft, alleen de vorm is daaraan toegevoegd. Toch wordt dit een waar scheppen genoemd, zoowel van 't geheel als van de deelen. Waar wij gewoonlijk walvisschen of walvisch lezen, zou het m. i. geoorloofd zijn te vertalen „tonijnen". Dit woord stemt overeen met het Hebreeuwsche DJTJJI. Als hij zegt „dat de wateren hebben doen wremelen" gaat hij voort met de kracht te prijzen van het Woord, waarnaar de wateren zoo oplettend luisteren, dat zij, schoon levenloos in zichzelve, plotseling levende wezens opwellen. Toch drukt Mozes nog meer uit, n. 1. dat dagelijks uit de wateren ontelbare visschen opkomen, omdat het woord Gods, waarmee Hij eenmaal dit beval, altoos van kracht blijft.

22. En Hij zegende ze. Wat die zegening beteekent, heldert hij spoedig op. Want God wenscht niet iets toe gelijk de menschen, maar met eenen enkelen wenk bewerkt Hij, wat de menschen met hunne wenschen afsmeeken.

God zegent dus, wanneer Hij hen beveelt, zich te vermenigvuldigen en uit te breiden. Komt het echter iemand ongerijmd voor, dat God de visschen en het kruipend gedierte aanspreekt, dan antwoord ik, dat die wijze van spreken zoodanig is geweest, dat ze kon worden verstaan. Want dat de kracht van het Woord, tot de visschen uitgezonden, geene ijdele is geweest, leert de ervaring zelve, want het heeft zelfs wortel geschoten in hun natuur, zoodat zij onophoudelijk vrucht dragen.

24. De aarde brenge voort. Hij gaat over tot den zesden dag, waarop de dieren zijn geschapen, en eindelijk de mensch.

De aarde brenge levende wezens voort, zoo zegt hij. Maar vanwaar komt het leven in deze doode stof? Dit wonder

Sluiten