Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7. De Heere God nu had den mensch gemaakt uit het stof der aarde, en had in zijn gelaat den levensadem ingeblazen, en de mensch werd tot eene levende ziel.

8. Ook had de Heere God een hof geplant in Eden, tegen 't Oosten, en daar den mensch geplaatst, dien Hij had gemaakt.

9. En de Heere God had uit de aarde doen uitspruiten alle geboomte, begeerlijk om te zien, en goed om te eten, en den boom des levens in 't midden des hofs, en den boom der kennis van goed en kwaad.

10. En een rivier ging uit Eden, om den hof nat te maken, die zich vandaar verdeelde en tot vier hoofden werd.

11. De naam der eene was Pisin ; deze omringt het geheele land Havila, waar goud is.

12. En het goud van dat land is goed ; daar is bedolah en de steen onix.

13. De naam nu der tweede rivier is Gihon ; deze omringt het geheele land Ethiopiƫ.

14. En de naam der derde rivier is Hiddekel, deze strekt zich uit tot Oostelijk Assur; en de vierde rivier is de Phrath.

15. Zoo nam dan de Heere God den mensch, en zette hem in den hof van Eden, om dien te bebouwen en te bewaren.

16. En de Heere God onderrichtte den mensch, zeggende : van allen boom des hofs zult gij vrij eten.

17. Maar van den boom der kennis van goed en kwaad, eet daarvan niet, omdat, ten dage als gij daarvan eet, gij zeker zult sterven.

18. En de Heere God zeide, het is niet goed, dat de mensch alleen zij. Ik zal hem eene hulpe maken, die voor zijn aangezicht zij.

19. De Heere God nu had uit de aarde gemaakt alle gedierte des velds, en alle gevogelte des hemels, en had ze tot Adam geleid, om te zien, hoe hij ze zou noemen, en eiken naam dien hij haar gaf, n.1. die levende ziel, dat is haar naam.

20. Zoo noemde Adam de namen van al het vee, en 't gevogelte des hemels, en alle gedierte des velds, maar

Sluiten