Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schepselen verzorgt en ook vermeerdert, nog voortdurend aan 't werk is. Het Woord van Christus, dat de Vaderen HijZelf van den beginne tot nu toe gewerkt hebben, is dus waar ; want zoo God maar even Zijne hand terugtrekt, moet alles onmiddelijk te gronde gaan en in 't niet zinken, gelijk men leest Ps. 104 vers 29. Maar ook wordt God niet recht gekend als Schepper van hemel en aarde, zoo niet die voortdurende voeding Hem wordt toegeschreven. Bekend is deze verklaring, dat God met al Zijn werk heeft opgehouden, omdat Hij ophield nieuwe soorten van dingen te scheppen. Maar opdat de zin duidelijker zij, leze men, dat God, omdat niets meer tot de volmaking der wereld kon verlangd worden, de laatste hand er aan gelegd heeft. Zoo toch luiden Mozes woorden „van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had." Immers, hij wijst den toestand van het werk aan, zooals God wilde, dat het zou blijven bestaan, alsof hij zeide, dat toen voltooid is, 't geen God bij Zichzelven had besloten. Kortom, dit strekt alleen, om de voltooiing van het gebouw der wereld uit te drukken. En hieruit mag men niet opmaken, dat God zoo heeft opgehouden, dat Hij Zich onttrok van Zijne werken, die alleen in Hem kracht en bestaan hebben.

Voorts moet worden opgemerkt, dat in de werken der zes dagen alleen begrepen wordt, hetgeen behoort tot de rechtmatige en oorspronkelijke versiering der wereld. Later zegt God : „De aarde brenge voort doornen en distelen". Alsdan beveelt Hij, dat het gelaat der aarde anders zou zijn, dan het van den beginne geweest is. Maar de verklaring ligt voor de hand, dat veel van wat heden in de wereld wordt gezien, meer tot haar bederf behoort dan tot haar sieraad. Want zoodra de mensch uit zijnen eersten oorsprong uitviel, moest noodzakelijk de wereld terstond ontaarden en haar natuur afwijken. Zoo heeft men ook over vloo en meikever en andere insecten te oordeelen. In deze allen heerscht zekere ontaarding der wereld, die tot de orde der natuur volstrekt niet moet gerekend worden, daar deze meer uit de zonde der menschen dan uit Gods hand voortvloeit. Deze worden ook wel door God geschapen, maar uit toorn. Hier echter beschouwt Mozes God niet als gewapend, om de zonden der menschen te straffen, maar als Kunstenaar en Bouwmeester en machtig Huisvader, die niets tot de hoogste volmaaktheid van Zijn gebouw heeft verzuimd. Wanneer wij thans de bedorvene

Sluiten