Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alle levende ziel." Nu wordt Adams lichaam gevormd uit klei en zonder bewustzijn, opdat niemand buiten de maat zou roemen in het vleesch.

Meer dan dom is dus elk, die daaruit zijne geringheid niet leert. Hetgeen van elders later er bijkomt, verbindt ons evenzeer aan God. Toch wilde God tegelijk door eenig bijzonder teeken den mensch van de redelooze dieren onderscheiden, want deze ontstonden op een enkel oogenblik uit de aarde. Maar dat de mensch langzamerhand geworden is, daarin kwam eene bijzondere waardigheid uit, die hij heeft boven de beesten. Want waarom beveelt God niet, dat hij terstond geheel levend uit de aarde zou voortkomen dan alleen, opdat hij, door een zeker voorrecht boven alles, wat de aarde voortbracht, zou uitblinken ?

En had ingeblazen in zijn gelaat. Wat verscheidene der ouden ook mogen oordeelen, ik aarzel niet het gevoelen te onderschrijven van hen, die deze plaats verklaren van het dierlijke leven der menschen. En zoo vertaal ik door „adem" wat zij „levende geest" noemen. Misschien werpt iemand mij tegen, dat, als Mozes hier niets vermeldt, dan wat allen gemeen hebben, er dan geen onderscheid is tusschen den mensch en de andere levende wezens. Ik antwoord hierop, dat schoon hier slechts wordt vermeld, een lager vermogen der ziel, die 't lichaam doortrekt, en daaraan kracht en beweging schenkt, er toch niets tegen is, dat de ziel ook hare plaats kreeg, en daarom afzonderlijk moest vermeld worden. Over den adem spreekt Mozes 't eerst, vervolgens voegt hij er aan toe, dat de ziel aan den mensch is gegeven, opdat hij daardoor leven, en gevoel en beweging zou bezitten. Wij weten immers, dat de krachten der menschelijke ziel vele en onderscheidene zijn ? En daarom ligt er niets ongerijmds in, dat Mozes thans slechts ééne kracht aanroert, maar het verstandelijke deel weg laat, omdat daarvan in 't eerste hoofdstuk melding is gemaakt. In 's menschen schepping toch zijn drie trappen op te merken, nl. dat het levenlooze lichaam uit de aarde gevormd is, dat het begiftigd is met eene ziel, waardoor het levensbeweging geeft en dat in deze ziel God zijn Beeld heeft ingegrift, waaraan de onsterfelijkheid is verbonden.

Hij werd tot een levende ziel. i-'il (nephesh) neem ik voor het wezen der ziel zelve ; maar het woord levend, dat daaraan wordt toegevoegd, past alleen op deze plaats, en om-

Sluiten