Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeetocht, zijn koning met de vloot ontmoette, zooals Arianus in 't achtste boek over de daden van Alexander verhaalt. Dit getuigenis bevestigt hij ook straks in 't vijftiende boek. Waar echter ook de Eufraat blijft steken of zich instort, zeker is 't, dat hij en de Tigris, beneden hunne samenvloeiing ergens uiteengaan.

Evenwel schrijft Arianus in 't zevende boek, dat niet slechts door ééne bedding de Eufraat in den Tigris stroomt, maar door tal van rivieren en wateren, omdat het water gemakkelijk uit eene hooge naar eene lage en diepe plaats afloopt. Wat de samenvloeiing betreft, die ik op de kaart heb aangeduid, dienaangaande meenen enkelen, dat die door den arbeid van den praefekt Cibaris is aangelegd, opdat de Eufraat niet door zijnen snellen loop Babyion zou overstroomen. Maar zij spreken daarvan als eene twijfelachtige zaak. Meer geloofwaardig is het, dat de menschen door kunst en nijverheid den loop der natuur gevolgd hebben, zoodat zij de wateren uitdiepten, toen zij zagen dat de Eufraat ergens van eene hoogere plaats van zelf naar den Tigris afliep. Of ook, zoo men 1 omponius Mela gelooft, heeft Semiramis den Tigris en Eufraat naar het anders drooge Mesopotamië afgeleid, wat op geenerlei wijze geloofwaardig is. Meer waar is, wat Shabo, een vlijtig en stipt schrijver, verhaalt in 't elfde boek van zijn werk, dat deze twee stroomen bij de Babyloniërs samenvloeien, maar dat vervolgens elk afzonderlijk met zijne bedding afloopt naar de Roode Zee. Hij gelooft, dat die vereeniging geschiedt boven Babyion, niet ver van de Massica, gelijk te lezen is bij Plinius in t vijfde boek. Van daar stroomt de eene rivier door Babyion heen, maar de andere langs Seleucië, twee beroemde en machtige steden. Zoo wij aannemen, dat van nature en van den beginne die samenvloeiing bestaan heeft, waardoor de Eufraat met den Tiger zich vereenigt, is alle ongerijmdheid opgeheven. Zoo er eenige streek onder den hemel is, die uitmunt door schoonheid, door overvloed van allerlei vruchten, door vruchtbaarheid, door genietingen en andere gaven, dan is t wel deze, die de schrijvers 't meest roemen. En daarom passen de lofredenen, waarmee Mozes het Paradijs prijst, volkomen daarop. Dat het landschap Eden in die streek gelegen heeft, is ook waarschijnlijk volgens het 37e hoofdstuk van Jesaja, het 12e vers, en uit het 27e hoofdstuk van Ezechiel, het 23e vers. Mozes verhaal, dat de rivier uitging, versta ik van de strooming des

Sluiten