Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den, dat het vermogen, hetwelk toegestaan was, overvloedig genoegzaam moest zijn. Want zij duidt aan, dat zij al te ondankbaar zouden zijn, als zij met zoovele schatten niet tevreden waren en, meer dan billijk was, zochten te verkrijgen. Als zij zegt, dat God heeft verboden om te eten en aan te raken, meenen enkelen dat het tweede woord er aan is toegevoegd, alsof zij God beschuldigt van al te groote strengheid hierin, dat Hij ook het aanraken heeft verboden. Maar ik leg dit liever zoo uit, dat zij tot hiertoe volhardde in gehoorzaamheid, en haren trouwen ijver uitdrukt in het zorgvuldig bewaren van Gods bevel. Alleen in 't vermelden der straf wankelt zij, door het bijwoord „misschien", daar toch God als zeker dit had uitgesproken : „Gij zult den dood sterven."

Want hoewel bij de Hebreen {3 niet altijd twijfel aanduidt, zoo wordt het echter meermalen in dien zin genomen, en neem ik gaarne aan, dat de vrouw hier begon te aarzelen. Ten minste, den dood had zij niet voor oogen, gelijk behoorde, als zij aan God gehoorzaam was gebleven ; maar zij toont het doodsgevaar slechts van verre en koud te gevoelen.

4. Toen zcide de slang tot de vromv. Reeds vrijer spot satan, en nu hij een nauwe spleet voor zich ziet open staan, valt hij regelrecht aan. Want hij pleegt nooit in het open veld samen te treffen, dan alleen als wij ons uit eigen beweging aan hem blootgeven en ongewapend onder schot komen. Eerst valt hij ons listig aan door vleierijen, maar zoodra hij naderbij is gekomen, durft hij onbeschaamd en met trotsch zelfvertrouwen tegen God uit te varen. Zoo ook dringt hij nu door de aarzeling, die Heva heeft aangegrepen, verder, zoodat hij rondweg ontkent. Door zulke voorbeelden moeten wij leeren, op onze hoede te zijn tegen zijne verleiding, opdat wij door bijtijds hem tegemoet te treden, hem ver van ons afweren, zoodat de nadere toegang hem niet openstaat. Dus nu vraagt hij niet weifelend, gelijk zooeven, of Gods bevel, dat hij bestrijdt, waar is, maar openlijk beschuldigt hij God van leugen. Want hij verzekert dat het woord, waarmee de dood is aangekondigd, valsch en bedriegelijk is.

Verderfelijk is de verzoeking, als wij niet slechts rustig en gevoelloos blijven voor Gods bedreigingen, maar God zelfs bespotten.

5. Want God weet. Er zijn er, die meenen, dat hier God zeer listig door Satan wordt geprezen, alsof Hij nooit den men-

Sluiten