Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beoordeeld naar haren uiterlijken schijn, maar naar de inwendige gezindheid. Dat nu de afval der eerste menschen wordt gezegd de ondergang van het geheele menschengeslacht geweest te zijn, schijnt aan de meesten dwaas toe, en onder dien naam brengen zij gaarne tegen God eene aanklacht in. Pelagius daarentegen, opdat hij niet het bederf der menschelijke natuur op God zou schuiven, (waarvoor hij eene valsche vrees koesterde) heeft het durven bestaan de erfzonde te ontkennen. Doch zulk eene groote dwaling wordt niet alleen door duidelijke schriftuurplaatsen weerlegd, maar ook openlijk door de ervaring tegengesproken. Aan de philosofen, hoezeer ze anders ook genoegzaam, ja meer dan scherpzinnig waren, was de slechtheid onzer natuur onbekend. En tcch, die domheid was een schitterend getuigenis der erfzonde; want zij, die nog niet geheel blind zijn, zien, dat geen enkel deel in ons ongeschonden is, en dat het verstand met blindheid is geslagen, en met ontelbare dwalingen is besmet j dat alle hartstochten vol zijn van weerspannigheid en verkeerdheid, en dat daar of slechte lusten, of andere niet geringere kwalen heerschen, en dat alle zinnen vol zijn van vele slechte dingen. Overigens, omdat behalve God alleen, het aan niemand toekomt rechter te zijn in deze zaak, moet men het oordeel, dat Hij in de Schriften heeft geopenbaard, toestemmen. Eerstelijk leert de Schrift duidelijk, dat wij slecht en verkeerd geboren worden.

IJdele spotternij van Pelagius was het, dat de zonde van Adam door navolging zou voortgeplant zijn. Immers, David, nog in den moederschoot zijnde, kon toch geen navolger zijn van Adam , en tcch belijdt hij, dat hij in zonde is ontvangen. Ps. 51 vs. 7. Voorts kan men het breeder betoog dezer zaak en de omschrijving der erfzonde in de Institutie vinden. Alleen met een enkel woord, zal ik hier uiteenzetten, hoe wijd ze zich uitstrekt. Al het slechte, dat in onze natuur is, schuiven wij, omdat wij t aan God niet mogen toeschrijven, terecht op de zonde. Jmu leert Paulus in Rom. 3, dat het bederf niet slechts in één deel zetelt, maar de geheele ziel en hare afzonderlijke deelen omvat. Daaruit volgt, dat zij, die de erfzonde slechts in de zinnelijke lust en de ongeordende beweging der begeerten stellen, kinderachtig dwalen, daar zij zelfs in den zetel der rede en in 't hart heerscht. Met de zonde is verbonden de schuld, of zooals Paulus zegt, Rom. 5 vr. 12, door

Sluiten