Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeiven behagen, en met eene verkeerde levensopvatting zijn behept, is de wet voor ons dood, omdat wij hare scherpte afweren door onze hardheid ; maar als zij ons scherper treft, worden wij tot nieuwe verschrikkingen gedrongen.

10. Ik hoorde Uwe stem. Ofschoon dit eene belijdenis schijnt te zijn van den gevallen en vernederden mensch, blijkt het spoedig, dat hij nog niet recht tot staan en tot berouw gebracht was.

Aan Gods stem en zijne naaktheid wijt hij zijne vrees, alsof hij vroeger niet zonder vrees God hoorde spreken, en aangenaam door Zijn woord werd verblijd. Dat hij niet erkent, dat de oorzaak der schaamte in de zonde lag, daarin komt zijne groote gevoelloosheid uit. Zoo toont hij, dat hij straf gevoelde, zonder dat hij zijne misdaad had bekend. Intusschen bewijst hij, dat het waar is, wat ik te voren heb gezegd, dat niet slechts in één deel van 't lichaam de erfzonde woont, maar dat deze heerschappij heeft in den geheelen mensch, en zoozeer de afzonderlijke deelen der ziel inneemt, dat geen enkel deel zijne zuiverheid behoudt. Want ondanks zijne vijgebladeren huivert hij desniettemin bij het zien van God.

11. Wie heeft n gezegd. Dit is een indirect verwijt, om Adam van nalatigheid te beschuldigen, daar de straf hem geen schuldbekentenis afperst, 't Is alsof gezegd werd, dat Adam niet vreesde voor Gods stem, maar dat de stem des rechters hem als overtreder schrik aanjaagt. Ook ligt hierin opgesloten, dat niet de naaktheid de oorzaak was der vrees, maar de schande van de slechtheid, waarmee hij zich had bezoedeld. Ten minste, het is ook eene onverdragelijke lastering tegen God, de oorzaak van het kwaad in de natuur te zoeken. Ik zeg niet, dat hij in duidelijke Woorden God aanklaagt; maar door zijne ellende te beweenen en intusschen te ontkennen, dat hij zelf de bewerker daarvan is, schuift hij op God de misdaad, die hij op zich had moeten laden.

Wat de gewone Latijnsche overzetting vertolkt door : „Of hebt gij soms van den boom gegeten" is veeleer eene ondervraging. Twijfelend vraagt God, niet alsof de zaak twijfelachtig was, maar om des te scherper den gevoelloozen mensch te treffen, die als een lijder aan eene verborgene kwaal, zijne ziekte niet gevoelt. Hij is als een zieke, die roept dat hij brandt, en toch niet denkt aan de koorts. Laten wij overi-

Sluiten