Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderscheiding uitgevonden van eene dubbele vergeving, nl. van schuld en van straf. Hieraan is later het verzinsel der onderscheidene voldoeningen vastgeknoopt. Men heeft verzonnen, dat God aldus de menschen vrijspreekt van schuld, dat Hij toch het recht behoudt hen te straffen, met al de hardheid van Zijn oordeel, althans tijdelijk. Maar zij, die in de straffen eene soort van voldoening zagen, hebben Gods oordeelen geheel verkeerd opgevat. Want bij het kastijden der geloovigen houdt God niet hunne verdienste in 't oog, maar hun toekomend welzijn. Hij is meer hun Geneesheer, dan wel hun Rechter. Als Hij dus Zijnen kinderen kwijtschelding verleent, doet Hij dat niet ten halve, maar ten volle. Dat Hij hen in genade aanneemt en daarna toch straft, die kastijding heeft de kracht van een medicijn met het oog op de toekomst. Ze moet niet worden beschouwd als straf voor de begane zonde. En zoo wij letten op de ongevoeligheid van des menschen geest, op de bandeloosheid, de onstuimigheid, de wuftheid, de vergeetachtigheid, zoo zal ons de gestrengheid Gods in het beteugelen daarvan niet bevreemden. Zoo Hij met woorden vermaant, hoort men niet, zoo Hij slagen toevoegt, vordert Hij niets. En wordt Hij nog gehoord, zoo is toch het vleesch onbeschaamd wederspannig. Maar erger nog dan die teugelloosheid, is die hardnekkige wederspannigheid, die zich moedwillig tegen God verzet. Is iemand zoo zachtmoedig, dat hij niet weigert aan God te gehoorzamen, nauwelijks heeft hij ééne zonde bedreven, en is hij aan Gods hand ontkomen, of hij valt terug in dezelfde kwaal, tenzij hij met krachtige hand wordt tegengehouden.

Daarom moet als algemeene grondregel worden aangenomen, dat alle ellenden, waaraan het menschelijke leven onderworpen is, noodzakelijke oefeningen zijn, waardoor God ons eensdeels uitlokt tot bekeering, andersdeels leert nederig te zijn, en ons voor 't vervolg meer op onze hoede doet zijn voor de verlokselen der zonde.

Totdat gij wederkeert. God verklaart, dat de dood het einde des levens zal zijn, alsof Hij zeide dat Adam door allerhande onophoudelijke kwalen eindelijk zou komen tot het uiterste van alle kwaad. Dit is de vervulling van hetgeen wij te voren gezegd hebben, dat Adam's dood terstond na den val is begonnen. Want het vervloekte leven des menschen kan niets anders zijn, dan het begin van den dood.

Sluiten