Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der conscienLie Kaïn heeft ondervraagd, en dat hij van Zijnen kant al mompelende en tegenpruttelende heeft geantwoord. Maar dit staat vast, dat hij niet maar door de stem van menschen is ondervraagd, maar van Godswege, zoodat hij heeft beseft, dat hij met God te doen had. Zoo dikwijls dus de verborgene prikkeling van het geweten ons onze zonden verwijt, hebben wij te bedenken, dat God met ons spreekt. Want het geweten, dat ons overtuigt van zonden, is eene bijzondere vierschaar Gods, waar Hij rechtspleging houdt. Zij die zich van kwaad bewust zijn, moeten dus toezien, dat ze niet gelijk Kaïn zich verharden. Want wij staan tegen God op en weerstaan de werking zijns Geestes, als wij de gedachten van ons schuiven, waarin zich de eerste beginselen des berouws openbaren. En toch is het eene algemeene kwade gewoonte, om aan de zonden, die eertijds zijn bedreven, nog hardnekkigheid toe te voegen, zoodat men tegen wil en dank overtuigd zijnde weigert voor God te bukken. En hieruit blijkt, hoe groot de verdorvenheid des menschen is, dat wij na volle overtuiging en zelfveroordeeling, niet ophouden onzen Rechter te bedriegen of lastig te vallen, 't Getuigt van verregaande hardnekkigheid, dat Kaïn na de volvoering van zulk eene groote misdaad, de aanklacht Gods heftig durft afwijzen, hoewel hij zijne hand niet kon ontvluchten. Maar hetzelfde zien wij dagelijks gebeuren met allerlei goddeloozen, van wien geen enkele het beneden zich acht vernuftig te schijnen in het bedenken van uitvluchten. Want het menschelijk hart zit zoo vol schuilhoeken, dat het goddeloozen licht valt, hardnekkige verachting Gods aan hunne misdaden toe te voegen. Niet omdat hunne weerbarstigheid tegen Gods oordeel bestand is (want hoe ver zij ook wegkruipen in de schuilhoeken waarvan ik sprak, toch is er een vuur, dat hen van binnen verteert maar omdat zij in roekelooze halstarrigheid hun hart als met een eeltkorst bedekken.

Maar hierin blijkt duidelijk de kracht van Gods oordeel, dat het weet door te dringen in het stalen gemoed der slechten, zoodat zij innerlijk tot zelfveroordeeling gedrongen worden. Wat zij ook doen om het opgewekte schuldgevoel uit te blusschen, er blijft altoos een litteeken of brandmerk achter. Door te ontkennen, dat hij zijns broeders hoeder is, zoekt hij, fel opstuivende, met één slag Gods oordeel den pas af te snijden. Van rekenschap tc geven van den dood zijns broeders, acht hij

Sluiten