Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet op, tegen God als Rechter te morren, en Hem van wreedheid te beschuldigen.

Ook volgt onmiddellijk hierop de uitdrukking: „Zie, gij hebt mij verdreven van den aardbodem, en ik zal verborgen zijn voor Uw aangezicht". Met deze woorden beschuldigt hij God openlijk, dat hij harder wordt behandeld, dan billijk is, zonder medelijden of verzachting. Want het is precies, alsof hij zeide : „Als mij eene veilige woonplaats' op aarde wordt geweigerd, en Gij mij met Uwe zorg niet verwaardigt, wat laat Gij mij dan nog overblijven ? Of zou eenmaal te sterven niet beter zijn, dan voortdurend aan duizend dooden blootgesteld te wezen".

En hieruit besluiten wij, dat slechten, al zijn ze overtuigd, toch niet ophouden met murmureeren en in hun ongeduld en woede zoozeer geneigd zijn tot twisten, dat zij als 'tware meenen, God nog kwalijk te kunnen bejegenen, wegens de zwaarte van hun kwaad. Deze plaats doet ons ook duidelijker zien, waarin het zwervend leven of de ballingschap, waarvan Mozes zooeven melding maakte, bestond, nl. dat hem geen hoekje gronds door God tot woonplaats was overgelaten, waar hij gemakkelijk kon rusten. Want verstoken van het recht, dat alle menschen hebben, zoodat hij niet meer mocht gerekend worden onder de wettige bewoners der aarde, verklaart hij van den aardbodem te zijn verdreven en te moeten rondzwerven, wijl de aarde hem gastvrijheid zou weigeren, zoodat hij noodwendig door rooverij zou moeten bemachtigen, wat hij van rechtswege niet bezat.

Verborgen te zijn van Gods aangezicht, beteekent : „niet aanschouwd worden door God", of door Zijne hoede niet beschermd te worden. Deze bekentenis, die God den goddeloozen doodslager heeft afgedwongen, bewijst dat er geen vrede is voor de menschen, zoo zij niet in Gods Voorzienigheid rusten en verzekerd zijn, dat hun leven Hem ter harte gaat; dat zij geene enkele weldaad Gods rustig genieten, zoo ze niet gelooven, dat ze onder die voorwaarde op aarde geplaatst zijn, om onder Zijne hoede het leven te genieten. Goddeloozen verkeeren dus in eene ellendige onzekerheid, omdat zij weten, dat geen voet aarde hun door God in vredig bezit is gegeven.

14. Al wie mij vinden zal. Uit de omstandigheid, dat hij door Gods bescherming niet meer wordt beveiligd, besluit hij, dat hij aan het onrecht en geweld van alle menschen zal blootgesteld

Sluiten