Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werkwoord D/13 niet bij het woord ni3, tenzij wij zeggen, dat de letter O overbodig is, gelijk soms bij samenstelling enkele letters over schieten. HU beteekent rust geven, maar 3H3 troosten. Van het eerste werkwoord is de naam Noach afgeleid. Daarom heeft hier verwisseling plaats van de eene letter met de andere, of de zinspeling geschiedt alleen, waar Lamech zegt: „deze zal ons troosten van ons werk." Wat de zaak betreft, is er geen twijfel, of hij verwacht verlichting en leniging van arbeid. Maar men vraagt, vanwaar hij die hoop aangaande zijnen zoon heeft opgevat, in wien hij nog geenen natuurlijken aanleg kon opmerken. Hierin is 't gevoelen der Joden niet kwaad, als zij leeren, dat dit eene profetie is. Zij beperken echter al te sterk tot den landbouw, wat betrekking heeft, op alle zorgen dezes levens, die uit Gods vervloeking voortkomen, en vruchten zijn van de zonde. Ik voor mij houd het er voor, dat de heilige vaderen bang gezucht hebben, omdat zij door zoovele moeilijkheden omringd, voortdurend herinnerd werden aan den eersten oorsprong aller kwalen, en moesten erkennen, dat God hun tegen was. Derhalve schuilt in de uitdrukking „het werk onzer handen" een verkorte zegswijze, omdat hij onder écne benaming den ellendigen staat beschrijft, waartoe het menschelijk geslacht was vervallen. Want ze behielden buiten twijfel, wat Mozes boven heeft meegedeeld van het leven vol ai beid, droefheid en zorgen, waartoe Adam was verwezen, daar toch bij de toenemende kwaadwilligheid der menschen geene verzachting kon verwacht worden, dan doordat God boven alle verwachting te hulp kwam. Waarschijnlijk hebben zij ernstig gelet op de barmhartigheid Gods. Want zij hadden een krachtig geloof en de nood drong hen, om brandend naar hulp te verlangen. Dat nu de naam niet zoo maar is gegeven, kan men daaruit opmaken, dat Mozes duidelijk die gebeurtenis als vermeldenswaardig opteekent. Ten minste ook in de namen der andere vaderen lag eene zekere beteekenis. Hij gaat echter de reden, waarom zij zoo genoemd werden stilzwijgend voorbij en bij Noach alleen staat hij stil.

Daaruit kan dus de niet strijdlustige lezer het oordeel opmaken, dat in Noach iets bijzonders geschiedt, dat met de anderen vroeger niet is gebeurd. Vandaar lijdt het bij mij geen twijfel, of Lamech heeft iets zeldzaams en ongewoons verwacht van zijnen zoon, en dat door ingeving des Geestes,

Sluiten