Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vatting. Aangezien wij Hem niet kunnen bevatten gelijk Hij is, moet Hij Zich eenigermate om onzentwille veranderen van gedaante.

Dat in God geen berouw plaats heeft, blijkt genoegzaam hieruit, dat er niets gebeurt tegen Zijne verwachting of buiten Zijn voorzienig bestuur. Van denzelfden aard en beteekenis is ook het volgende, dat God bedroefd geweest is. Ten minste God treurt niet, maar blijft in Zijne hemelsche rust altoos aan zichzelven gelijk. Maar omdat men anders niet kan begrijpen, hoezeer God de zonde haat en verafschuwt, richt zich de Geest naar onze bevatting. Daarom is het volstrekt niet noodig, ons in netelige en moeilijke vraagstukken te verwikkelen, daar het duidelijk is, waarop die woorden van berouw en smart zien, n. 1. dat wij zouden weten, dat God den mensch na zoo groote bedorvenheid niet meer rekent onder zijne schepselen. Het is alsof Hij zeide : „Dit is niet Mijn werk, dit is niet de mensch, dien Ik naar Mijn Beeld gevormd, en met zoo uitnemende gaven versierd heb. Ik acht het beneden Mij, dit ontaarde schepsel nog langer voor het Mijne te erkennen. Hieraan grenst, wat in de tweede plaats over die droefheid staat aangeteekend, n. 1. dat de vreeselijke zonden der menschen God zoo kwetsen, dat zij Zijn hart met doodelijke smart doorwonden.

Hierin schuilt dus eene stilzwijgende tegenstelling tusschen de ongeschonden natuur, zoo als ze door God was geschapen, en het bederf, dat uit de zonde is voortgekomen.

Zoo wij dus God niet willen tergen en bedroeven, moeten wij leeren eenen afkeer te hebben van de zonde en ze te mijden. Ja, deze vaderlijke toegevendheid, dat God, om krachtiger in onze harten door te dringen, onze aandoeningen overneemt, moet de lust tot zondigen nog meer in ons ten onder brengen. Deze verandering dat God op Zich overbrengt, wat der menschelijke natuur eigen is, noemt men in het Grieksch: xvbpuiroTxSèixv.

i. Ik zal de menschen, die Ik geschapen heb, verdelgen van den aardbodem, van den mensch tot het vee.

W ederom voert hij God redeneerende in, opdat wij beter zouden verstaan, dat Hij alleen na rijp beraad de wereld heeft verwoest. Want daarom wilde de Geest des Heeren, dat wij nauwkeurig onderricht zouden zijn, om aan goddelooze klachten, tot welke wij anders heel licht overhellen, den pas af te snijden.

Sluiten