Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en naam wordt toegekend. Om dezelfde reden wordt ook melding gemaakt van Japheth, opdat die belofte zou bevestigd worden : „Lieflijk zal God Japheth toespreken, opdat hij wone in de tenten van Sem." Op deze plaats wordt Cham, de broeder van Ssm niet genoemd, omdat hij uit de rij der broederen was geschrapt en van zijn recht vervallen was verklaard. Slechts tusschen Sem en Japheth blijft de broederband ; maar omdat zij verdeeld waren, had God zich voorgenomen hen uit de verdeeldheid weer tot elkander te brengen. Wat den naam „Eber" betreft, de meening van hen, die daarin geen geslachtsnaam zien, maar dien afleiden van een woord dat „overgaan" beteekent, wordt door deze eene plaats meer dan genoegzaam weerlegd.

11de HOOFDSTUK.

1. De geheele aarde nu was van eenerlei tongval en eenerlei woorden.

2. En het geschiedde, toen zij naar het Oosten trokken, dat ze eene vlakte vonden in het land Sinear, en zij woonden aldaar.

3. En zij zeiden, elk tot zijn naaste: „Kom aan, laat ons tichelen strijken en bakken tot baksel" en de tichel was hun voor steen, en het lijm was hun voor leem.

4. En zij zeiden : Kom aan, laten wij eene stad om ons bouwen, en eenen toren, welks opperste reikt tot den hemel, en laten wij ons een naam maken, opdat wij niet misschien verspreid worden over den ganschen aardbodem".

5. En de Heere kwam neder om te zien de stad en den toren, die de kinderen der menschen bouwden.

6. En de Heere zeide : „Zie, zij zijn één volk, allen hebben ééne tongval, en dit is het begin van hetgeen zij maken, en nu, zal hun niet belet worden, te maken wat zij gedacht hebben ?

i. Kom aan, laat ons nedervaren, en daar hunnen tongval verwarren, zoodat elk de tongval zijns naasten niet versta".

8. En de Heere verstrooide hen vandaar over denge-

Sluiten