Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die dwaze woede gedurende alle eeuwen voortwoekert. Bekend is de uitdrukking van Juvenalis : „de dood alleen openbaart, hoe gering het lichaampje der menschen is". Maar zelfs de dood vermag niet ons van trctschheid te genezen noch ons, al is het dan laat, de bekentenis af te persen, dat onslot ongelukkig is; want dikwerf schittert op de graven nog meer weelde dan bij een bruidstoet. Uit dit voorbeeld leeren wij echter, hoezeer het ons past nederig te leven en te sterven. Het getuigt echter niet van ware wijsheid, als midden in het leven ons de dood voor oogen moet komen om ons aan matigheid te gewennen. Want als iemand verlangt groot te zijn op aarde, terwijl hij vroeger verachtelijk was onder de menschen, zoo zal zijn onheilige overmoed zich eindelijk tegen God zelf richten, zoodat hij gelijk de reuzen den hemel gaat bestormen.

Of dat iv ij niet misschien vers/reid worden. Enkele overzetters vertalen „voordat wij verspreid worden" maar dit laat de taalkundige vorm niet toe. Zij meenden te gemoet te komen aan een gevaar, dat als op handen zijnde kon beschouwd worden. Zij zeggen als 't ware, wanneer ons getal zoo blijft toenemen zal dit rijk allen niet kunnen bevatten. Daarom moet er een toren gebouwd worden, opdat onze naam daarin blijvend bewaard worde, schoon wij in verschillende streken zijn verspreid. Men vraagt echter, hoe de gedachte aan de toekomstige verspreiding bij hen is opgekomen. Sommigen vermoeden, dat zij door Noach zijn vermaand, die, bemerkende dat de wereld terugzonk in de vorige misdaden en bederfselen, door den geest der profetie eene zekere uiteenspatting heeft voorzien. Men meent dan, dat de Babyloniërs, daar ze rechtstreeks God niet konden weerstaan, beproefd hebben de aangekondigde straf te ontduiken. Anderen m^enen, dat ze zeer tegen hun zin door verborgene ingeving des Geestes gewaarschuwd zijn aangaande hunne straf. 1 och zijn die verklaringen gezocht en geen enkele reden dwingt ons, om hetgeen zij zeggen te laten slaan op de vervloeking, die op hen gelegd is. Zij wisten, dat de aarde was geschapen, om bewoond te worden, en naar alle zijden hare borsten uitstrekte om de menschen te voeden. Hun groot getal bewees, dat zij niet lang binnen zulke enge grenzen konden opgesloten blijven, en waar zij dus naar elders zouden moeten verhuizen, willen zij dat een toren getuigenis zou afleggen aangaande hunne afkomst.

Sluiten