Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reis hun verblijf daar zoo lang gerekt hebben ? Doch het is onnoodig hierover druk te twisten. In het hoeveelste jaar zijns levens Abram zijn vaderland verliet, verzwijgt Mozes, maar hij zegt, dat Abram in zijn vijf-en-zeventigste levensjaar in Kanaan is gekomen, terwijl zijn vader in het twee honderd en vijfde levensjaar gestor ven was. Wie zou daaruit niet besluiten, dat hij geboren is, toen zijn vader zijn honderdste jaar reeds bereikt had? Nu wordt hij het eerst genoemd onder de drie, die Thare volgens vs. 26 heeft gewonnen, toen hij zeventig jaar oud was. Ik stem dit toe; maar zulk eene vermelding beteekent, gelijk gezegd is, niets als bewijs voor den rang van geboorte. Mozes verhaalt niet in zijn hoeveelste levensjaar Thare zonen gewon, maar alleen, dat hij over dien leeftijd was, eer hij de drie zonen gewon waarover gehandeld wordt. En daarom moet Abrams leeftijd uit eene andere vergelijking opgemaakt worden, daar hij hem vijf-en-zeventig jaren toekent, toen zijn vader gestorven is, wiens levensduur tot de twee honderd en vijftig jaren reikte. Ook krijgt men een vast en krachtig bewijs uit den leeftijd van Sarai. Het staat vast, dat zij slechts tien jaar jonger geweest is dan Abram. Indien zij de dochter was van zijn jongsten broeder, zou zij noodzakelijk even oud moeten zijn als haar vader. Zij die aannemen, dat zij öf een stiefkind van Nahor is geweest öf slechts een aangenomen dochter was, brengen niets bij dan enkel woordenzifterij.

28. En Haran stierf. Van Haran wordt gezegd, dat hij gestorven is voor het aangezicht zijns vaders, omdat hij hem in leven achterliet. Ook wordt van hem verhaald, dat hij gestorven is in zijn vaderland, Ur. De Joden maken van den eigennaam der plaats een soortnaam, en zeggen, dat hij omgekomen is in het vuur. Want stoutmoedig als zij zijn in het verzinnen van fabelen, geven zij voor, dat hij met zijn broeder Abram, omdat hij de afgoderij schuwde, door de Chaldeeën in het vuur is geworpen, maar dat Abram ontkomen is door de standvastigheid van zijn geloof. Maar het vier en twintigste hoofdstuk van Josua, dat ik boven heb aangehaald, verklaart duidelijk, dat het geheele huisgezin evenzeer is besmet geweest met bijgeloovigheid als die streek zelve. Wel stem ik toe, dat de naam van het vuur is afgeleid,gelijk de namen der steden öf aan de ligging öf aan de eene of andere gebeurtenis ontleend worden. Het kan wezen, dat men daar een heilig vuur onderhield, of de helderheid der

Sluiten