Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verklaren, en maakt eindelijk de gevolgtrekking, dat Abram om deze oorzaak uit Chaldaea is verhuisd. Ook moet niet worden voorbijgezien, wat God later herhaalt in hoofdstuk 15 vs. 7. „Ik ben de Heere, die u heb uitgeleid uit Ur der Chaldeën". Want daaruit maken wij op, dat hem niet eerst van Godswege de hand is toegestoken, nadat hij te Charran was gaan wonen, maar toen hij nog thuis was in Chaldaea. Dit bevel Gods nu, waarover het dwaas is te redetwisten, moet ons genoegzaam zijn, om het tegenovergestelde dwaalgevoelen te weerleggen. Want (*od kan aldus alleen spreken tot iemand, die nog woont op Zijn geboortegrond, die nog nooit verhuisd is, en die zonder eenige verandering van levenswijze rustig en bedaard onder zijne verwanten leeft. Anders lag het voor de hand God tegen te werpen : Ik heb mijn vaderland verlaten, en leef ver van mijne maagschap. Kortom, Mozes verhaalt deze Godsspraak, opdat wij zouden weten, dat deze buitenlandsche reis door Abram en zijnen vader Therah op Gods bevel is ondernomen. Daaruit blijkt ook, dat Therah niet zoo diep was verzonken in bijgeloovighcden, of hij vreesde God toch nog. Daar hij reeds een zwak en bouwvallig grijsaard was, viel het hem zwaar uit zijn vaderland te worden weggerukt.

In zijn hart heerschte dus nog eenige ware godsdienst, al werd die dan ook verstikt. Toen hij begreep, dat de plaats, waaruit zijn zoon bevolen werd weg te gaan, vervloekt was, wilde hij daar niet omkomen, maar sloot hij zich als tochtgenoot aan bij hem, dien de Heere daaruit voerde. Welk een krachtig getuige zal hij dus zijn in den jongsten dag, om onze traagheid te veroordeelen ? Hij kon zich gemakkelijk en zonder moeite verontschuldigen, dat hij rustig thuis bleef, omdat hem niets was bevolen. Maar hoe verblind hij ook was door de duisternis van het ongeloof, zoo opent hij toch de oogen voor de lichtstraal, die tot hem doordringt. En wij worden niet bewogen, hoewel de roeping Gods thans regelrecht tot ons komt. Voorts is de roeping van Abram een opmerkelijk voorbeeld van de genadige liefde Gods. Of was Abram door eenige verdienste van goede werken God voorgekomen ? Was hij tot Hem gegaan ? Had hij Hem gunstig gestemd ? Integendeel, want men moet altijd in het oog houden, wat ik vroeger heb aangehaald uit de rede van Josua, dat hij in den droesem der afgoderij lag verzonken. Thans strekt God nit eigen beweging de hand naar

Sluiten