Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zaamheid. Zullen de harten dus geneigd worden om God te volgen, zoo is het niet genoeg, dat Hij eenvoudig beveelt, wat Hij wil, maar Hij moet tevens Zijnen zegen toezeggen.

De belofte, dat Abram tot een groot volk zou worden, verdient bijzondere opmerkzaamheid, daar zijne vrouw onvruchtbaar was. De belofte zou krachtig geweest zijn, als God metterdaad verwachting had gegeven, maar thans bedreigt de onvruchtbaarheid zijner vrouw hem met eeuwige kinderloosheid. De belofte zou op zichzelf onvruchtbaar geweest zijn, zoo Abram niet volkomen gehoorzaam geweest ware. Daarom neemt hij, ziende op de onvruchtbare baarmoeder zijner vrouw, op Gods woord in hope de belofte aan, dat hij een groot volk zou worden. Deze genade wordt bijzonder geroemd door Jesaja in hoofdstuk 51 vs. 2, dat God zijnen knecht Abram, dien Hij eenzaam en verlaten vond, door Zijne zegening heeft doen aangroeien tot zulk een groot volk. Het woord (gooi) staat bij de Joden in kwaden reuk, maar wordt op deze plaats, gelijk op vele andere, in gunstigen zin gebruikt.

En dit wordt met nadruk gezegd, omdat hij niet slechts uit zijn zaad nakomelingen zou ontvangen in grooten getale, maar een bijzonder en van anderen afgezonderd volk, dat om zijnen bijzonderen naam hooggeacht moest worden.

2. Ik zal u zegenen. Dit is ten deele toegevoegd tot uitlegging van den voorafgaanden zin. Want opdat Abram niet zou wanhopen, stelt God hem Zijne zegening voor oogen, die door een wonder meer kan doen, dan men volgens den loop der natuur in anderen ziet gebeuren. Deze zegening strekt zich echter verder uit dan tot zijn zaad, want zij belooft, dat hij in al zijne zaken voorspoed en geluk zou hebben. Dit blijkt ook uit het volgende. „Ik zal uwen naam groot maken, opdat gij tot eenen zegen moogt zijn." Want hem wordt eenen voorspoed beloofd, die allen wijd en zijd zou doen verwonderd staan, zoodat zij zich Abrams persoon bij het uitspreken eener zegening tot voorbeeld zouden kiezen.

Anderen zetten den zin om in een bijvoeglijk naamwoord. „Gij zult geprezen worden", d. i. allen zullen u zegenen. Maar de eerstgenoemde zin past beter. Sommigen vatten den zin ook actief op, alsof gezegd werd : Mijne genade zal bij u alleen niet blijven, zoodat gij alleen die zult genieten, maar zij zal zich over alle volken uitstorten. Met die bedoeling vertrouw

Sluiten