Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gods Kerk, dat, zoo hij niet in leven bleef, aan hem en zijn zaad de zegening tevergeefs zou beloofd zijn, achtte hij zijn leven niet zoozeer uit vleeschelijken drang, als wel omdat hij voelde, dat de vrucht der goddelijke roeping met zijn dood zou verdwijnen. Daarom wordt hij met zulk eene zorg om zijn leven te bewaren vervuld, dat hij al het andere daarbij achterstelde.

Tot hiertoe verdient hij lof, dat hij uit het rechte levensbeginsel bereid is, zijn leven zoo duur mogelijk te verkoopen. Maar dat hij die verkeerde reden uitdenkt, en zijne vrouw in gevaar brengt van overspel, is volstrekt niet te verontschuldigen. Wanneer hij aangaande zijn leven bekommerd geweest was, hetgeen niet verkeerd was, had hij zijne zorg op den Hecre moeten wentelen. Ik stem toe, dat Gods voorzienigheid voor de geloovigen geen beletsel is, om voor zichzelven te zorgen, maar dan moet dat zoo geschieden, dat zij de voorgeschrevene perken niet overschrijden. Hieruit volgt, dat Abrahams bedoeling goed geweest is, maar dat hij in het kiezen van den weg is afgedwaald, gelijk ook ons dikwijls overkomt, zelfs als wij tot God naderen, dat wij toch door onbedachtzaam verboden middelen te kiezen, van Zijn Woord afwijken. Dit nu gebeurt gewoonlijk als wij in moeilijke omstandigheden verkeeren, omdat wij, als geen enkele uitweg ons open staat, gemakkelijk naar verschillende zijpaden worden verlokt.

Hoe onbezonnen dus de rechters, die over deze daad van Abram den staf breken, ook zijn mogen, toch is in dit opzicht zijn val niet te loochenen, dat hij, sidderend voor het naderend doodsgevaar, niet. de uitkomst aan God overliet, en zich weerhield de eerbaarheid zijner vrouw prijs te geven. Daarom worden wij door dit voorbeeld vermaand, in ingewikkelde en twijfelachtige zaken van den Heere den geest des verstands en der wijsheid te vragen, en tevens ons kalm te houden en niet lichtzinnig iets buiten zijn Woord te gaan ondernemen.

Ik weet, dat gij zijt eene vrouw, schoon van aangezicht. Men vraagt hoe Saraï zoo knap kon zijn, daar zij toch reeds oud begon te worden. Want al geven wij toe, dat zij vroeger heeft uitgemunt in schoonheid van gestalte, toch hadden de jaren hare bevalligheid verminderd. Ook weten wij hoezeer de rimpels des ouderdoms zelfs flinke en knappe aangezichten verminken. In de beantwoording dezer vraag stel ik op den voorgrond, dat zonder twijfel destijds de levensduur der menschen

Sluiten