Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. En Abram was zeer rijk, in vee, in zilver en in goud.

3. En hij ging, volgens zijne reizen, van het zuiden tot aan Bethel, tot de plaats waar in den beginne zijne tent geweest was tusschen Bethel en Ai.

4. Tot de plaats des altaars, dat hij in het eerst gemaakt had, en Abram riep aldaar den Naam des Heeren aan.

5. Evi ook Lot, die met Abram rondtrok, had schapen en runderen en tenten.

6. En het land droeg hen niet, om samen te wonen, omdat hunne have veel was en zij niet samen konden wonen.

7. En er was twist tusschen de herders van Abrams vee en de herders van Lots vee, en de Kanaanieten en Pherizieten woonden toen in dat land.

8. En Abram zeide tot Lot: Laat er thans geen strijd zijn tusschen mij en U en tusschen mijne herders en Uwe herders, want wij zijn mannen broeders.

9. Is niet het geheele land voor Uw aangezicht ? Scheid U toch van mij ; zoo gij ter linkerhand gaat, ik zal ter rechter gaan, en zoo gij ter rechterhand gaat, ik zal ter linkerzijde gaan.

10. En Lot hief zijne oogen op, en hij zag de geheele vlakte der Jordaan, want zij bevochtigde die geheel eer de Heere Sodom en Gomorra verdierf, gelijk de hof des Heeren, gelijk Egypteland, als men gaat naar Zoar.

11. En Lot koos voor zich de geheele vlakte der Jordaan, en Lot trok tegen het Oosten en zij scheidden zich van elkander af.

12. Abram dan woonde in het land Kanaan, en Lot woonde in de steden der vlakte en spande zijne tenten tot aan Sodom.

13. De mannen van Sodom nu waren boos, en zeer misdadig voor het aangezicht des Heeren.

14. En de Heere zeide tot Abram, nadat Lot zich van hem had afgescheiden : „Hef nu uwe oogen op en zie van de plaats- waar gij zijt, ten Noorden, en ten Zuiden, ten Oosten en ten Westen.

15. Want al dat land, dat gij ziet, zal Ik aan u en uw zaad geven tot in eeuwigheid.

Sluiten