Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

* >

zijn ambt een mindere en hem ondergeschikte zegent. Want nooit zou hij Abram hebben durven zegenen, zoo hij niet geweten had, dat hij in dit opzicht boven'"'hem uitmuntte. Op deze wijze hebben de Levitische priesters in last het volk te zegenen, Num. 6 vs. 23, en God belooft, dat dit van kracht zou zijn en met Zijne goedkeuring zou worden bekroond. Zoo zegende Christus ten hemel opklimmende, als Bedienaar der genade Gods, met uitgestrekte handen, zijne apostelen, Lucas 24 : 51, en hen werd de waarheid dezer gelijkenis aangetoond. Want Hfj heeft bewezen, dat door den Vader Hem het ambt was opgedragen, om de Kerk te zegenen, welk ambt in Melchizedek was afgeschaduwd.

Gezegend zij Abram den Allerhoogsten God. Melchizedeks bedoeling is, de genade der goddelijke roeping voor den heiligen Abram te bevestigen, want hij kent hem de eer toe, waarmee God hem in het bijzonder had bekroond, door hem van al de anderen af te scheiden en Zich tot een zoon aan te nemen. Ook noemt hij God, door wien Abram was uitverkoren, den Bezitter van hemel en aarde, om Hem te onderscheiden van de zelfuitgedachte afgoden der heidenen. Wel heeft God later zich met andere titels bekleed, om door eene meer bijzondere kennis zich eigen te maken met de menschen, die met hunne bekende ijdelheid des verstands, schoon zij van God hooren,' dat Hij de Schepper is van hemel en aarde, toch niet ophouden af te dwalen, totdat zij in hunne verzinselen ondergaan.

Maar omdat God zich reeds aan Abram had bekend gemaakt, en door vele Godspraken zijn geloof was bevestigd, acht Melchizedek het genoeg, door aan God de eere der Schepping toe te kennen, te bewijzen, dat het de ware en eenige God is, dien Abram dient.

Hoewel hij ook zelf den zuiveren dienst van den waren God onderhield, zoo noemt hij toch Abram den gezegende Gods, met het oog op het eeuwig Verbond, alsof hij wilde zeggen, dat Gods genade als door erfrecht in een geslacht en volk zou blijven, omdat Abram alleen uit de geheele wereld uitverkoren was. Vervolgens wordt eene bijzondere gelukwensching met de overwinning er aan toegevoegd, niet zooals onder goddeloozen vluchtig pleegt te geschieden als ze elkander holle loftuitingen toezwaaien, maar Melchizedek dankt God, en de overwinning, die de heilige man behaalde, beschouwt hij als het zegel van zijne genadige roeping.

20

Sluiten