Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelfde en hun staat dezelfde, zoo niet de kinderen Gods het duizendmaal slechter hebben. En daarom moet een vredig sterfbed terecht als eene bijzondere weldaad beschouwd worden, want zij is het bewijs van het onderscheid, dat ik zoo even aanstipte. Dit hebben ook heidenen geoordeeld, hoewel zij in de duisternis tastten. Plato haalt in zijn eerste boek over den staat een gedicht aan van Priedarus. Daar zij, die rechtvaardig en heilig hebben geleefd, door eene zoete hoop worden gestreeld, die de harten voedt, en den ouderdom verzorgt, die den veranderlijken geest der menschen het allermeest in toom houdt; en menschen met een slecht geweten gewoonlijk onder verschillende kwellingen gebogen gaan, verzekert de dichter, dat de hoop de belooning is van een goed geweten, en noemt haar yypórpotpov d. i. „voedster des ouderdoms". Want als jongelingen, omdat zij nog ver verwijderd zijn van den dood rustig genieten, worden grijsaards door hunne zwakheid gekweld, zoodat zij gedurig denken te moeten verhuizen, en zoo niet de hoop op een beter leven hen opricht, blijft er voor hen niets over dan droevige verschrikkingen. Kortom, daar de boozen gedurende hun geheele leven aan hunne lusten botvieren, en zorgeloos in hunne ondeugden slapen, moet de dood hun wel schrikwekkend voorkomen, terwijl de geloovigen hunne zielen zonder vrees en droefheid in Gods hand bevelen. Daarom gevoelde ook Bileam zich gedrongen uit te roepen : „Mijne ziel sterve den dood der oprechten", Num. 23 vs. 10. Aangezien nu de menschen zulk een gewenscht levenseinde niet in hunne hand hebben, zegt de Heere tot Zijnen knecht Abram, als Hij hem eenen zachten en rustigen dood belooft, dat dit eene weldaad voor hem is. Ook zien wij, dat zelfs koningen en menschen, die droomen, dat ze in de wereld gelukkig zijn, bij het sterven verschrikt worden, omdat ze door verborgene prikkelingen vanwege hunne misdaden worden gekweld en in den dood niets dan verderf zien. Doch Abram ging gewillig en blijde sterven, toen hij in Izaak het zekere onderpand der goddelijke zegening had, en wist, dat een beter leven hem in de hemel was weggelegd.

16. De ongerechtigheid is nog niet volkomen. Dit lijkt eene dwaze reden, dat het geluk van Abrams kinderen afhangt van den ondergang van anderen. Ik antwoord op deze bedenking, dat men bescheiden en nederig moet buigen voor Gods Ter-

Sluiten