Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitdrukking beteekent zooveel als moeder worden. Toch leggen enkelen haar uit als „kinderen krijgen." Het is waar "]3 (ben) dat in het Hebreeuwsch zoon beteekent, staat in verband met dit woord. Doch omdat zonen overdrachtelijk zoogenoemd worden, omdat zij steunpilaren van het geslacht zijn, en het huisgezin bouwen, hebben wij ons aan de eigenlijke beteekenis van het woord te houden. Het kind nu, dat Hagar zou baren, eigent Saraï zich toe volgens haar recht als meesteres, want slavinnen baarden niet voor zichzelven, en hadden ook geene macht over haar lichaam. Doordat zij echter eerst haren echtgenoot moest dringen, laat zij niet slechts de bijzit toe, als bijwijf op te treden, maar dringt zij haar zelfs op. En hieruit blijkt, dat zoodra de menschen zich veroorloven meer te weten als billijk is, zij op het punt staan, om ongeoorloofde middelen te beproeven. Uit geloofsijver wordt Sarai's neiging geboren, maar omdat zij zich niet aan God onderwerpt, en Zijnen tijd afwacht, vervalt zij terstond tot de zonde van veelwijverij, die niets anders is dan een bederf van het wettig huwelijk.

Dat Saraï, zulk een heilige vrouw, haar man als een oorblazer aanzet om even ongeduldig te zijn als zij zelf, daaruit leeren wij, hoe ijverig wij de wacht moeten houden, zal Satan ons niet door heimelijk bedrog overvallen. Want hij hitst niet slechts slechten en goddeloozen op, om met opzet ons geloof te bnstrijden, maar, om ons onvoorbereid te verpletteren, valt hij ons nu en dan heimelijk en steelsgewijze aan, door goeden en eenvoudigen. Men zij dus aan alle zijden op zijn hoede tegen zijne hinderlagen, opdat hij ons niet langs den eenen of anderen kant door loopgraven bekruipt.

En Abram hoorde. Abrams geloof wankelde, toen hij afweek van Gods woord, en door den aandrang zijner vrouw zich liet overhalen tot een middel, dat van Godswege verboden was. Toch behoudt hij het fundament des geloofs, omdat hij niet twijfelt of eindelijk zal hij Gods waarachtigheid leeren kennen. Uit dit voorbeeld leeren wij, dat er geen reden is om den moed op te geven, als Satan ons geloof schudt, zoo slechts Gods waarheid niet wankelt in onze harten. Als wij zien, dat Abram, Waar hij gedurende zoovele jaren gelijk een onoverwonnen worstelaar krachtig had gestreden, en zulke moeilijke hinderpalen had overwonnen, thans op een oogenblik voor de verzoeking bezwijkt, wie onzer zou dan niet vreezen voor een dergelijk gevaar ?

Sluiten