Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of hen ook wel terstond laat omkomen, mag niemand onzer aan zijne traagheid toegeven, doch moeten wij ons laten uitdrijven door het besef onzer ellende, om Hem terstond te zoeken. Intusschen ligt hierin eene niet geringe versterking van ons geloof, dat onze gebeden niet door den Iieere zullen veracht worden. Hij voorkomt nalatigen en dwazen met zijne hulp en is zelfs hen, die niet vragen, nabij. Hoeveel te meer zal Hij dan de vrome wenschen der zijnen gunstig verhooren.

12. Hij zal woesi zijn. De Engel verhaalt, hoedanig man Ismaël zou zijn. M. i. is de eenvoudige beteekenis daarvan, dat hij een oorlogzuchtig mensch zou zijn, en gevreesd door zijne vijanden, zoodat niemand hem ongestrafd zou tergen. Het woord (phara) vertalen enkelen door boschbewoner en

liefhebber van de jacht op wilde dieren. Doch het blijkt, dat men de uitlegging nergens anders behoeft te zoeken, dan in het verband ; onmiddelijk toch volgt : „Zijne hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem". Men vraagt echter of dit tot de weldaden Gods moet gerekend worden, dat men gewapenderhand zijn leven moet beschermen, daar toch niets begeerlijker is dan vrede. Deze moeilijkheid kan aldus worden opgelost, dat al vielen alle naburen hem vijandig aan, en al spande men van alle zijden tot zijnen ondergang samen, Ismaël alleen kracht genoeg zou hebben, om de aanvallen van allen af te weren.

Doch volgens mijne meening, belooft de Engel Ismaël volstrekt niet eene complete genadegave, maar slechts iets middelmatigs. Zeer begeerlijk is het, vrede te hebben met allen. Wijl deze gave aan Ismaël wordt onthouden, wat geheel volgens de orde is, wordt hem dit gegeven, dat hij niet voor zijne vijanden behoefde onder te doen, en kracht en sterkte zou bezitten tot het afweren van hun geweld. Hij spreekt echter niet over het karakter van één mensch, doch over het geheele geslacht, want hetgeen volgt, zou op één mensch niet genoegzaam passen. Wordt deze uitlegging goedgevonden, zoo wordt hier niet eene eigenlijke zegening beloofd, maar eenen dragelijken of middelmatigen staat des levens, opdat Ismaël en zijne nakomelingen zouden gevoelen, dat God hun ter wille van hun vader Abram iets had geschonken. Derhalve behoeft men het volstrekt niet tot de weldaden Gods te rekenen, dat hij allen tot vijand zou hebben, en dat hij met geweld allen zou wederstaan,

Sluiten