Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Engels, omdat zij meende, dat God nergens werd gezien dan in het huis van Abram. Maar dit is zonder grond. Ook dringt de eerzucht de Joden dikwijls er toe zoo te beuzelen, wijl ze zich met alle kracht toeleggen op het verheerlijken van den roem huns geslachts. Anderen lezen: „Heb ik ook gezien, naar de mij te beurt gevallene verschijning" d. i. ben ik zoo onnoozel, dat ik ziende blind ben? Volgens hen had Hagar eene dubbele verschijning: de eerste onder het dwalen, toen zij in de:) Engel niets hemelsch zag, de tweede in werkelijkheid, toen zij van het besef der Godheid was doordrongen. Volgens enkelen moet een ontkennend antwoord er bij gedacht worden, alsof zij zeide : „Ik heb Hem niet zien weggaan". Hagar begreep uit de plotselinge verdwijning, dat zij met een Engel Gods te doen had. Ook over het tweede lid zijn de uitleggers het niet eens. Hyronimus vertaalt: „de achterste deelen van Hem, die naar mij omzag", wat velen op het duistere van de verschijning laten slaan, zoodat de uitdrukking overdrachtelijk is. Want gelijk wij menschen van achteren niet duidelijk zien, zoo zegt men, dat iemand God van achteren heeft gezien, als Hij zich niet duidelijk openbaart. Dit is de gewone opvatting.

Anderen meenen, dat Mozes eene andere overdrachtelijke spreekwijze heeft gebruikt. Den rug Gods nemen zij voor het gevoel van Zijnen toorn, gelijk Zijn aangezicht gezegd wordt te lichten, als Hij Zich gunstig en genegen betoont. Zoo is volgens hen de zin deze: „ik heb gemeend, dat ik ontsnapt was, en niet meer Gods roede of kastijding zou gevoelen, maar nu gevoel ik, dat Hij mij vijandig is". Kortelijks heb ik tot nu toe weergegeven wat anderen zeggen. Hoewel het niet in mijne bedoeling ligt, mij op te houden met het bestrijden van alle uitleggingen in het bijzonder, zoo zeg ik toch vrijuit, dat niemand van deze uitleggers de bedoeling van Mozes gevat heeft. Wel neem ik gaarne aan, wat enkelen aanvoeren, dat Hagar verwonderd is geweest over Gods goedheid, dat zij ook in de woestijn door Hem werd aangezien. Deze verklaring nu is wel niet ongerijmd, maar ook niet volledig. Allereerst verwijt Hagar zichzelve, dat zij vroeger al te zeer verblind is geweest en daardoor thans veel te traag en te langzaam de oogen heeft geopend om God aan te zien. Want hare gevoelloosheid komt haar, naar de omstandigheid van plaats en tijd gerekend, dubbel groot voor. Meermalen toch had zij vele blijken gehad, dat de

Sluiten