Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8. En Ik zal u en uw zaad na u, het land uwer vreemdelingschappen geven, het gansche land Kanaan, tot een eeuwige bezitting ; en Ik zal hun tot eenen God zijn.

9. Voorts zeide God tot Abraham : Gij nu zult mijn verbond houden, gij, en uw zaad na u, in hunne geslachten.

10. Dit is mijn verbond, dat gijlieden zult bewaren tusschen Mij en ulieden, en tusschen uw zaad na u, dat al wat mannelijk is, onder u worde besneden.

11. En gij zult het vleesch uwer voorhuid besnijden; en dat zal tot een teeken des verbonds zijn tusschen Mij en ulieden.

12. Een zoon van acht dagen zal onder u besneden worden, al wat mannelijk is, in uwe geslachten; de ingeborene en de gekochte met geld van allen vreemde, die niet is van uw zaad.

13. Zekerlijk zal besneden worden uw ingeborene en de gekochte met uw geld, en mijn verbond zal zijn in ulieder vleesch tot een eeuwig verbond.

14. En het mannelijke, dat de voorhuid heeft, van wien het vleesch zijner voorhuid niet werd besneden, diens ziel zal uitgeroeid worden uit hare volken, omdat hij Mijn verbond heeft verbroken.

15. En God zeide tot Abraham : Gij zult den naam van uwe vrouw Saraï niet noemen Saraï, maar Sarah is haar naam.

16. En Ik zal haar zegenen, en u ook uit haar een zoon geven, dien ik zal zegenen, en Hij zal zijn tot volken, koningen der volkeren zullen uit haar worden.

17. Toen viel Abraham op zijn aangezicht en lachte, en hij zeide in zijn hart: zal dan een man van honderd

jaren nog een nakomeling geboren worden ? en zal Sarah

eene vrouw van negentig jaren baren ?

18. En Abraham zeide tot God : Och, dat Ismaël mocht leven voor Uw aangezicht!

19. En God zeide: Voorwaar, Sarah uwe vrouw, zal u eenen zoon baren, en gij zult zijnen naam noemen Izaak ; en ik zal mijn verbond met hem oprichten tot een eeuwig verbond, en met zijn zaad na hem.

20. En aangaande Ismaël heb ik u verhoord : zie, ik heb

Sluiten