Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem vroeger onophoudelijk aan tot gebed en zuchten, want Gods belofte was zoo diep in zijn gemoed ingeprent, dat hij brandde van verlangen naar hare vervulling.

Thans in den valschen waan dat hij zijn wensch had verkregen, wordt hij door de aanwezigheid van een vleeschelijken zoon afgetrokken van het verlangen naar een geestelijk zaad.

Doch bij vernieuwing ontfermt Gods verwonderlijke goedheid zich over hem, zoodat Abram boven alle verwachting weer wordt opgewekt om te hopen en plotseling verneemt, dat hem geschonken was, wat nooit in hem was opgekomen te vragen. Zoo hij dagelijks met gebeden had gesmeekt, zou het ons niet zoo duidelijk zijn, dat deze gift hem door Gods genade was geschonken, dan nu ze hem wordt aangeboden, zonder dat hij er aan denkt en haar begeert.

Voordat wij echter op Izaak komen, is het van belang op de orde en het verband der woorden te letten. Eerst zegt Mozes, dat de Heere aan Abram is verschenen, opdat wij zouden weten, dat de Godspraak, niet slechts door verborgene openbaring is geschonken, maar dat er tevens een gezicht aan toegevoegd is. Doch het was geen stomme verschijning, maar het woord ging daarmede gepaard, opdat Abrams geloof daai dooi versterkt zou worden. Nu bevat het woord in hoofdsom dit, dat God een verbond sluit met Abram en daarna verklaart, hoedanig dat verbond zou zijn en eindelijk het bezegelt door de toevoeging van een teeken.

Ik ben God de Almachtige. Van God wordt gesproken met het Hebreeuwsche woord „El", dat afgeleid is van „macht". Dezelfde strekking heeft de bijnaam (schidai) zoodat God als het ware betuigt, dat Hij kracht genoeg bezit om Abram te beschermen ; want ons geloof staat nooit vast, voordat wij zeker overtuigd zijn aan Gods bescherming alleen genoeg te hebben, en alles ter wereld gering achten wat onze zaligheid in den weg staat. God beroemt zich dus niet op Zijne macht, om die bij zichzelven verborgen te houden, maar Hij verklaart die aan Zijne kinderen, °pd»t Abram daaruit stof tot vertrouwen zou putten. Aldus ligt in deze woorden de belofte opgesloten.

Wandel voor Mijn aangezicht. Wat deze uitdrukking waard is, heb ik elders gezegd. Bij het sluiten des verbonds bedingt God van de zijde zijns knechts gehoorzaamheid. Doch niet te vergeefs heeft God uitgesproken, dat Hij de sterke

Sluiten