Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men het dus, dat Abraham, toen hij menschen zag, eerwaardig in voorkomen en met teekenen van bijzonder aanzien, hen tegemoet is gegaan, en eerbiedig heeft begroet en hen heeft gevraagd, of zij willen uitrusten. Ook was toen de zedigheid grooter, zoodat het gastrecht met minder gevaar kon uitgeoefend worden, dan tegenwoordig bij zooveel misbruik van vertrouwen onder de menschen.

Daarom zijn de zoo menigvuldige herbergen bewijzen van onze verkeerdheid, en het is onze schuld, dat ze het feit bewijzen, dat de voornaamste plicht der menschlievendheid onder ons is te loor gegaan.

En hij boog zich. Dit teeken van eerbied was bij de Oosterschen gewoonte. Dat enkele oude schrijvers hieruit eene verborgenheid hebben trachten te halen, n.1. dat Abraham een van de drie, die hij zag, heeft aangebeden, en dat hij daarom door het geloof de drie personen in het ééne wezen Gods heeft aanschouwd, is beter weg te laten, omdat het spitsvondig is en vol spot en leugen. Tevoren immers heb ik gezegd, dat de Engelen door den heiligen man zijn ontvangen, daar hij een dienst aan menschen wilde bewijzen. Dat God echter zijne welwillendheid heeft geëerd, en met dat loon heeft verwaardigd, dat Hij hem Engelen aanbood als gastvrienden, dit heeft hij niet geweten, voordat ze aan het einde der maaltijd zich bekend maakten. Het is dus eene menschelijke en burgerlijke eer, die hij hun bewijst. Dat hij echter één van hen bijzonder groet, is waarschijnlijk daarom geschied, omdat deze boven de beide anderen uitmuntte. Want wij weten, dat de Engelen meestal zijn verschenen met hun Hoofd Christus, en daarom wijst Mozes hier bij de drie Engelen één aan als het hoofd van het gezandschap.

3. Ga nu niet voorbij. Dat Abraham zoo vriendelijk, ja zelfs smeekend dit vraagt, komt ongetwijfeld voort uit de reeds gemelde reden ; want zoo hij voor elk, dien hij ontmoette, kalveren had geslacht, zou zijn huis terstond door de groote uitgaven zijn uitgeput. Deze menschen keurde hij dus de eer van deugdzaamheid en uitnemende gaven waardig, opdat hij God niet zou verachten. Aldus was hij niet blindelings weg zoo mild, dat hij ronddolenden of deze en gene rondzwervende smeekte; en ook dreef hem niet de eerzucht, zich tegenover die drie welwillender dan gewoonlijk te betoonen, maar de;

Sluiten