Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schelijke wijze sprekende had gezegd : „Ik zal wederkomen, als Ik nog leef". Het zou echter ongerijmd geweest zijn, als God, die zoo luisterrijk zijne macht openbaart, Zijne woorden naar de bevatting der menschen schikte, alsof Hij een sterveling ware. En welk een luister zou dit veelbeteekenende woord Gods hebben, vraag ik, waarin over het eeuwig heil der wereld wordt gehandeld ? In geenerlei wijze kan dus dat gevoelen goedgekeurd worden, dat de kracht en het gezag der belofte geheel ontzenuwt. Letterlijk staat er : „omstreeks den tijd des levens." En dit verklaren sommigen van Sarah, alsof de Engel had gezegd, dat dan Sarah nog zou leven. Doch juister wordt dit verklaard als betrekking hebbende op het kind. God belooft immers, dat Hij zou komen op den rechten en wettigen tijd van het baren, opdat Sarah moeder zou worden van een levend kind.

11. Zij nu waren oud en op vergevorderden leeftijd. Dit vers vlecht Mozes in, opdat wij zouden weten, dat Sarah met recht, hetgeen de Engel zeide, niet scheen te gelooven. Want dat kinderen beloofd worden aan stokoude menschen is bovennatuurlijk. Wat Abraham betreft kan de moeilijkheid worden opgelost, daar ook nog heden nu en dan bij mannen in den hoogsten ouderdom de kracht om kinderen te verwekken behouden blijft en voornamelijk in die eeuw was dit geen ongewone zaak.

Doch Mozes spreekt hier vergelijkenderwijs. Omdat Abraham, zoolang hij nog krachtig van leven was, met zijne vrouw had geleefd, kon hij moeilijk kinderen verwekken, toen hij reeds bijna half verstorven was. Wel had hij als grijsaard Ismaël verwekt, doch boven alle verwachting. Doch dat hij nu twaalf jaren later bij eene oude en verstorvene vrouw vader kon worden, is nauwelijks te gelooven. Voornamelijk echter legt Mozes den nadruk op den toestand van Sarah, omdat bij haar de grootste hinderpaal was. Het had opgehouden, zegt hij, met Sarah te gaannaar de wijze der vrouwen. Met deze soort van uitdrukking spreekt hij bescheidenlijk over den maandelijkschen vloed der vrouwen. Tegelijk met deze houdt de mogelijkheid om te ontvangen op.

12 E11 Sara lachte bij zich zelve. Vroeger had ook Abraham gelachen, gelijk in het voorgaande hoofdstuk te zien is, doch beider lach staat volstrekt niet op éen lijn, want Sarah is niet aangedaan van verwondering en blijdschap, zoodat zij de belofte Gods aanneemt, maar zij ontzegt God, die

Sluiten