Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitspuwen wegens hunne misdaden." Levit. 18 vs. 25. Maar als God voor het oog gemeenschappelijk tegen allen schijnt te toornen, moet men letten op het doel, omdat Hij tusschen den een en den ander groot onderscheid maakt. Want als een landman de graankorrels, die tegelijk met hun omhulsel door de pooten der ossen worden getreden of met den vlegel worden geslagen, weet uit elkander te houden in zijne schuur, veel beter nog zondert God Zijn geloovigen, nadat Hij hen voor een tijd heeft gekastijd, van de ongeloovigen af, (die gelijk onnutte afval zijn) opdat zij niet samen vergaan. Ten slotte toont Hij door de uitkomst, dat Hij niet den ondergang heeft gewild van hen, die Hij met straffen genas. Want zoover is 'ter van daan, dat Hij tot verderven zóu voortvaren, zoo dikwijls Hij de Zijnen aan tijdelijke straffen onderwerpt, dat Hij veeleer een geneesmiddel aanwendt en daardoor voor hun behoud zorgt.

Doch ik twijfel er niet aan, of God had den totalen ondergang van Sodom bevolen, en, niet met die bedoeling om dit te verhinderen, werpt Abraham God tegen, dat het volstrekt niet past, dat in denzelfden ondergang gelijkelijk rechtvaardigen en goddeloozen omkomen. Niet de minste ongerijmdheid ligt er in, als wij zeggen, dat Abraham, omdat hij eene goede verwachting had aangaande de bekeering der boozen, God heeft gevraagd, hen te sparen, gelijk het meermalen gebeurt, dat God, met het oog op enkelen, eenig volk zacht behandelt. Wij weten immers, dat de publieke straffen worden verzacht, omdat de Heere de Zijnen met welgevallen en met een vaderlijk oog aanschouwt. In denzelfden zin moet het antwoord van God genomen worden : „Zoo ik binnen Sodom vijftig rechtvaardigen vind, zal Ik om hunnentwille de geheele plaats sparen." Toch bindt zich God hier niet aan eene altoosdurende wet, dat het niet geoorloofd zou zijn, zoo dikwijls dit voorkomt, de goddeloozen tegelijk, met rechtvaardigen te straffen, Om te toonen, dat Hij vrijmachtig is in het oordeelen, houdt Hij niet altoos hierin gelijke maat. Terwijl Hij om tien rechtvaardigen Sodom zou hebben gespaard, weigert Hij die gunst aan Jeruzalem te schenken. Matth. 11 : 24. Laten wij dus bedenken, dat God Zich hier geen dwang oplegt, maar alleen zoo spreekt, om te beter te toonen, dat Hij niet lichtvaardig overgaat tot het verwoesten eener stad, waarvan geen goed deel is overgebleven.

25. Zou tic Rechter der gansche aarde geen recht doen.

Sluiten