Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft als die welke Ovidius heeft verdicht, beweren zij, dat hij niet het minste geloof verdient. Maar ik meen veeleer, dat het door een list van Satan gekomen is, dat Ovidius door zijne fabelachtige verzinsels, aan zulk een in het oogloopend toonbeeld van Goddelijke straf alle geloofwaardigheid heeft onttrokken. Maar wat heidenschen menschen lustte om te verzinnen, gaat ons niets aan. Het past ons daarom te onderzoeken of Mozes' verhaal iets ongerijmds of ongelooflijks bevat.

En dan vraag ik allereerst, waarom het aan God, als Hij toch de menschen uit niet heeft geschapen, niet vrijstaat als het Hem goeddunkt, ze tot niet te doen terugkeeren ? Als dit wordt toegestemd, wat elk zal moeten doen, waarom zou Hij dan ook niet, als het Hem goeddunkt ze in steenen kunnen veranderen? Voor die goede wijsgeeren, die in het tekort doen aan Gods macht hunne scherpzinnigheid toonen, zijn dagelijks even groote wonderen in den loop der natuur te aanschouwen. Want hoe verstijft het kristal tot zijne bekende hardheid ? En om geene zeldzame voorbeelden aan te halen, hoe wordt uit dood en verrot zaad een levend wezen verwekt ? Hoe worden uit eieren vogelen geteeld ? Waarom is dan voor hen in één enkel werk het wonder belachelijk, als zij worden genoodzaakt ontelbare blijken daarvan toe te stemmen ? En als het sommigen niet geloofwaardig toeschijnt, dat het lichaam eener vrouw in eene zoutmassa is veranderd, hoe gelooven zij dan dat in de opstanding een lijk, tot stof ineengevallen, zal vernieuwd worden ? Als hier wordt gezegd, dat Lots vrouw in eene zoutpilaar is veranderd, moeten wij ons niet verbeelden, dat hare ziel is verhuisd in de natuur van zout, want er is geen twijfel aan of zij leeft, om in dezelfde opstanding met ons te deelen. Deze ongewone manier van sterven is alleen bewerkt, opdat zij voor allen een voorbeeld zou zijn.

Overigens laat ik den naam van zout niet slaan op den smaak, maar ik geloof, dat zij vermeld is, omdat het standbeeld iets opmerkelijks had, dat de voorbijgangers aan iets herinnerde. Want er behoorden eenige duidelijke kenteekenen aan te zijn,'; waaruit allen konden besluiten, dat dit een bewonderenswaardig wonderteeken was. Anderen verklaren een pilaar van zout, die niet aan bederf onderhevig is, die altoos blijft voortduren, maar de eerste ver-

Sluiten