Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8. En Abimelech stond vroeg op, en riep alle zijne slaven en sprak alle die woorden voor hunne ooren, en die mannen vreesden zeer.

9. En Abimelech riep Abraham en zeide tot hem: „Wat hebt gij ons gedaan ? En wat heb ik tegen u gezondigd, dat gij over mij en over mijn koninkrijk eene groote zónde gebracht hebt?" Dingen, die niet moeten geschieden, hebt gij met mij gedaan.

10. En Abimelech zeide tot Abraham: „Wat hebt gij gezien, dat gij deze zaak gedaan hebt ?"

11. En Abraham zeide: „Omdat ik zeide, waarlijk de vreeze Gods is niet in deze plaats, en zij zullen mij dooden van wege mijne vrouw.

12. En ook is zij waarlijk mijne zuster, de dochter mijns vaders, maar niet de dochter mijner moeder, en zij werd mij tot vrouw.

13. En het geschiedde, toen de Engelen mij uitleidden uit het huis mijns vaders, zeide ik tot haar : „Dit zij uwe weldadigheid, die gij aan mij zult doen; aan alle plaatsen waar wij komen zullen, zeg van mij, hij is mijn broeder."

14. En Abimelech nam vee, en runderen, en knechten en dienstmaagden en gaf ze aan Abraham, en hij gaf hem Sara, zijne vrouw terug.

15. En Abimelech zeide, zie mijn land is voor uw aangezicht, woon in eene plaats, die goed is in uwe oogen.

16. En tot Sara zeide hij : Zie ik heb uwen broeder duizend zilverlingen gegeven-, zie hij zij u eene bedekking der oogen, en allen die met U zijn." En zij werd bij allen in hare eer hersteld.

17. En Abraham bad tot God, en God genas Abimelech en zijne vrouw, en zijne dienstmaagden en zij baarden.

18. Omdat de Heere alle baarmoeders had toegesloten van Abimelechs huis, wegens Sara de vrouw van Abraham.

1. En Abraham is van daar vertrokken. Wat Mozes verhaalde van Sodoms ondergang, was eenigermate bijzaak; nu

Sluiten