Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK I.

ALGEMEENE INLEIDING.

§ 1. staatszorg. Overal op aarde, waar de mensch tot eenige beschaving gekoRechtsorde. Jneu jS; treffen wij hem aan als lid eener groote georganiseerde maatschappij, Staat genoemd. Buiten eene staatsgemeenschap kan de beschaafde mensch niet leven, daar alleen de Staat het mogelijk maakt, dat de mensch ten volle zijne bestemming als beschaafd wezen volgen kan.

Het maatschappelijk leven doet de menschen op ontelbare manieren met elkaar in aanraking komen en ontelbare verhoudingen tusschen hen ontstaan, die hare regeling vinden in het Recht. In zulk eene menschenmaatschappij ontwikkelen zich vanzelf ook tallooze belangen, hetzij zuiver individueele, hetzij aan meer of minder omvangrijke groepen van menschen (sociale groepen) gemeene. De behartiging dezer belangen kan tot zekere hoogte aan belanghebbenden zeiven worden overgelaten; voor een groot deel echter zal dit niet kunnen. Want de verschillende belangen strijden dikwijls met elkaar; en bestond er voor ieder volle vrijheid om te doen en te laten, wat hij verkoos, zoo zou weldra het recht van den sterkste gelden, d. w. z. het grootste onrecht dat men zich denken kan.

Het belang van den een is dus bepaald door dat van den ander; evenzoo is de vrijheid om zijne belangen te behartigen voor ieder beperkt door die zelfde vrijheid voor anderen. Vandaar dat boven het bijzonder belang van individuën

Sluiten