Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geneigd zijn om op deze onzedelijke handeling, daar zij in onze strafhoeken niet als delict voorkomt, de bepalingen betreffende ,diefstal" analogisch toe te passen. Door dit te doen zou men echter de grofste fout begaan, die op het gebied van strafrecht gemaakt zou kunnen worden.

§ 18. Criminoio- Van de strafrechtswetenschap wordt eene andere wetenschap 816 en strafrechts- dje zich ook met de misdaad en de straf bezighoudt, onder-

"schap. scheiden, d. i. de criminologie.

pen nsc ap Terwijl de strafrechtswetenschap de voorwaarden onderzoekt.

waarvan het recht van den staat om te straffen door den wetgever afhankelijk gesteld wordt, maakt de criminologie (letterlijk: de wetenschap der misdaad) de misdaad zelf en hare oorzaken tot onderwerp van haar onderzoek. De criminologie beschouwt de misdaad vooreerst in verband met de maatschappelijke verschijnselen; verder ook in verband met de natuurverschijnselen. Zij gaat na, in hoeverre deze invloed uitoefenen op het ontstaan der misdaad; in hoeverre b.v. armoede, dronkenschap, bijgeloof, beroep; klimaat, jaargetijde, overgeërfde eigenschappen enz. op den mensch zoodanigen invloed uitoefenen, dat hij misdadiger wordt, hetzij hij van het plegen van misdaden eene gewoonte maakt (gewoontemisdadiger), hetzij door bijzondere omstandigheden tot eenige bepaalde misdaad wordt gebracht (gelegenheidsmisdadiger). In verband hiermede zoekt zij naar de middelen, die het meest geschikt zijn om de misdaad te bestrijden.

De criminologie wijst daardoor den wetgever den weg ter beantwoording van de vraag, welke wettelijke maatregelen, hetzij administratieve, hetzij strafrechtelijke, in het leven moeten worden geroepen, om de maatschappij tegen den misdadiger te beschermen. Maar ook voor den rechter- is deze wetenschap van de hoogste beteekenis. Immers, hem is eene groote mate van vrijheid gegeven bij de bepaling der straf; en daarbij heeft hij alle omstandigheden, die op een bepaalden misdadiger invloed hebben uitgeoefend, met de meeste nauwgezetheid te overwegen. Dat ook de gewone strafrechtsbeoefenaar geen vreemdeling mag zijn in de criminologie, wil hij het geldend strafrecht in waarheid begrijpen en doorgronden, volgt uit hetgeen in § 7 in het algemeen omtrent de rechtsstudie is opgemerkt.

Sluiten