Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK II.

Kort historisch Overzicht. — Invoerings- en Overgangsbepalingen. — Omvang van de werking der Strafwet naar den tijd en naar de plaats. — Uitlevering van vreemde misdadigers.

'9- Bronnen Vóór het jaar 1866 bezat Nederlandseh Indië geen gecodistrafrecht fjceerd strafrecht, vóór 1848 zelfs in het geheel geene codificatie. |aar,866. j)e bronnen, waaruit men het recht toen putte, bestonden uit de vele algemeene en bijzondere verordeningen, die onder verschillende benamingen bekend waren en sedert 1816 in het Staatsblad werden gepubliceerd, en verder uit het oudHollandsch en Romeinsch recht, en het adatrecht der Inlanders. Onder dat oud-Hollandsch en Romeinsch recht werd hef z.g.n. Roomsch-Hollandsch recht verstaan, d. i. het in onze toenmalige republiek algemeen geldend recht, hetwelk wel zuiverder maan schrechtelijke bestan ddeelen bevatte, doch voor het grootste deel uit min ot meer gewijzigd Romeinsch recht bestond. Dit algemeene recht werd in de verschillende gewesten en steden door tal van verschillende plakaten, speciaal rechl bevattend, aangevuld. Onder het adatrecht ') der Inlanders • en der Vreemde Oosterlingen) wordt verstaan het recht, dat in de Inlandsche maatschappij zich in den loop der tijden ontwikkeld heeft en dat, zooals vooral bij primitief recht het geval is, in nauw verband met hunne godsdienstige begrippen

') De wet spreekt van „godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken" va. 75 R. R.), of' van „inlandsche wetten" (a. 25 A. B.).

Sluiten