Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook verscheidene, bepalingen betrekkelijk strafrecht, vooral ten aanzien van den omvang der werking van dit recht naaide plaats waar het delict gepleegd is, vervat zijn.

Bij art. 1 Bepp. Swg. jo. art. 2 Ov. nu werd ten aanzien van het strafrecht de oude toestand geheel gehandhaafd, behoudens de toepassing der bovengenoemde in 1848 ingevoerde wettelijke bepalingen.

Hoe was die toestand dan ten slotte ten aanzien van Inlanders en vreemde Oosterlingen?

§20.strafrechts- Voor dezen waren en bleven inliet algemeen de „godsdien:::;^873 stige wetten, instellingen en gebruiken," d.i. liet adatrecht, 'anders enTrevari toepassing, tenzij zij uitdrukkelijk aan de Europeesche ^ oosteninge„em strafbepalingen "werden onderworpen. Dat adatrecht was echter slechts in zoover toepasselijk, als'het niet in strijd was met de algemeene beginselen van rechtvaardigheid en billijkheid (a. 11 en 25 A. B., a. r<5 R.R.) Was dit laatste volgens 's rechters opvatting wèl het geval — en dit was t. a. v. strafrecht bijna regel — zoo nam men, naar analogie van a. 4 Ov. (later van a. 75 R. R. laatste lid) de beginselen van het Europeesch recht tot richtsnoer.

Hierbij moet vooreerst worden opgemerkt dat het adatrecht t. a. v. strafrecht slechts in zooverre van toepassing kon zijn, als dit uitdrukkelijk geschreven strafbare normen inhield, en in zooverre dus met wettelijk recht vergeleken, daarmede eenigszins gelijkgesteld kon worden. Immers, art. 26 A. B. zegt, dat niemand, zonder eenig onderscheid, tot straf vervolgd of daartoe veroordeeld mag worden dan in de gevallen bij de „wet" voorzien. Nemen wij „wet" in zéér ruimen zin, zoo kunnen daaronder ook de „inlandsche wetten," bedoeld in a. 25 A. B. worden gebracht. Deze vormden feitelijk, daar zij nooit door eene wetgevende autoriteit vastgesteld en op behoorlijke wijze afgekondigd waren, geen wetten in den strikten zin des woords. Om aan a. 25 A. B. echter niet alle beteekenis te ontzeggen, moest men aan die inlandsche wetten Ave! geldende kracht toekennen. Dergelijke inlandsche wetten waren bv. de Soerja Alam, het Cheribonsche wetboek Pepakem, de kitab Toepah. Zooals gezegd, waren de daarin vervatte bepalingen echter meestal in strijd met de algemeene beginselen van rechtvaardigheid en billijkheid.

Sluiten