Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK III.

HET STRAFSTELSEL. ')

v

«en

s,ratslel

§ 33. Begrip In het eerste hoofdstuk zagen wij, dat het bedreigen van

Bfl rififti j. , , •• . i„ „x. i—A ah otIo o'p.hndpn worden

uer sirai. strai Cll lltïl iut;p»ööcii uci ^ —

ere,schten voor (|00|. <je noodzakelijkheid; zonder straf kan de Staat tot dusverre

g de algemeene rechtsorde niet handhaven. Handhaving der

rechtsorde, beveiliging der maatschappij, is dus het doet der strat,

niet wraakneming.

De straf moet in de eerste plaats zoodanig zijn, dat het vooruitzicht, om haar te ondergaan, kan afschrikken om iets te doen of te laten, wat verboden of geboden wordt door de •wet. Zij moet daarom in iets onaangenaams bestaan; de strat is een bijzonder leed, dat op de overtreding van eene norm wordt bedreigd, en op den overtreder wordt toegepast.

Daar het doel is: beveiliging der maatschappij tegen misdadigers, en niet wraakneming, mag zij ook niet verder gaan, dan tot bereiking van dit doel noodig is. Daarom behooren alle soorten van barbaarsche straffen, zooals geeseling, brandmerking, verminking enz. niet in een beschaafden staat thuis.

Dergelijke straffen zijn niet alleen onzedelijk en den Staat onwaardig, maar de ondervinding heeft geleerd, dat zij de maatschappij eerder schaden dan beveiligen. Immers, gebrandmerkte!!, verminkten enz. zijn voor hun geheele leven voor

Hoewel theoretisch minder juist, meen ik om paedagogische redenen de behandeling van het strafstelsel aan die van het delict te moeten doen voorafgaan.

Sluiten