Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

s

/nnwp.l h«t. beheer en de inrichting der gevangenissen, til*

de wijze waarop de verschillende tot de hier behandelde rubriek behoorende straffen moeten worden toegepast, wordt door a. 15 Stwb. I. aan eene ordonnantie ter nadere regeling overgelaten. Wel bestaat er een „Reglement van orde en tucht

'onder de gevangenen in JNecl.-lnüie en rot

~ , » i Ti». 1 O T1

van hunnen arbeid" (afgekort: Uev.), atgeKoncuga m olui. io.i no. 78; maar eene definitieve regeling van hun arbeid bestaat er nog niet. In afwachting daarvan ondergaan de tot dwangarbeid of krakal veroordeelden volgens art, 3 Ov. Swb. I. (zooals dit bij Stbl. 1905 no. 388 gewijzigd is) hunne straf op de door of namens de Regeering van Ned. Indië voorgeschreven wijze. Ten einde den samenhang niet te verbreken, zullen wij dit onderwerp behandelen bij de bespreking van even genoemd Reglement, alwaar het in hoofdzaak zijne regeling \inclt.

Ten aanzien van den dwangarbeid in en buiten den ketting, alsmede van krakal vallen vooraf echter nog enkele opmerkingen te maken in betrekking tot a. de persoon deiveroordeelden; b. de plaats waar de straf moet worden ondergaan; c. de gevolgen, aan die straffen verbonden.

§ 39. Bijzondere ° I. Betrekkelijk de persoon der veroordeelden bepaalt het bepp-betr. de per-gtwb. I. het volgende:

s0#n der veronr- te Aanzienlijke Inlander*, op wie Stbl. 18(37 no. 10 ') van

toepassing is, kunnen niet veroordeeld worden tot üwangaroeiu

'HetTn dit Stbl. nummer afgekondigd, sedert nog aangevuld, Kon. besl. houdt, voorzoover Java en Madura betreft, in hoofdzaak m:

lc dat Lnlandsche vorsten, rijksbestierders, regenten en onderregenten (de niet meer bestaande ronggo's), zoolang zij nog' 111 functie zijn, noch strafrechtelijk, noch burgerrechtelijk mogen worden vervolgd, zonder voorafgaand verlof daartoe van den G.G.;

■2e datzii in alle gevallen terecht moeten staan voorden Raad van .lustitu, 3e dat de navolgende personen in strafzaken terecht moeten staan voor

dén Europeeschen rechter: . '

«.de sub 1" genoemde personen, nadat zij afgetreden of uit hun ambt

b. IiiUui'dei'S, ^tïie, ofschoon nimmer geregeerd hebbende, recht hebben

tot het voeren van den vorstentitel;

c vrouwen, bloed- en aanverwanten tot den 4en graad ingesloten, zoo

wettige als onwettige, van de hierboven genoemde personen;

d uatihs- districthoofden en met dezen op minstens gelijke lijn staande lnlandsche hoofden; ondercollecteurs; hoofdpriesters en priesters, die, als permanente adviseurs aangesteld zijn bij eenen landraad; hootddjaksa's, djaksa's en hunne adjuncten; leden der landraden; allen zoolang zij in werkelijkeii dienst zijn. v

deeld

len.

Sluiten