Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ketting, of tot dwangarbeid b. d. k. voor langer dan één jaar ondergaan hun straf buiten dat gewest, en wel op de door den Directeur van Justitie aangewezen plaats (art. 10 Swb. I en art. 3 Ov. Swb. I. jo. Stbl. 1905 no. 388.)

Art. 10 Swb. I. jo. Stbl. 1905 no. 388 bepaalt nog, dat, indien een veroordeelde tot krakal of dwangarbeid b. d. k. voor één jaar of minder, aan eene ziekte lijdt, die zijn verblijf in de gevangenis onwenschelijk maakt, de Directeur van Justitie zijne opneming in een gesticht, ook buiten het gewest waar hij in eersten aanleg heeft terechtgestaan, bevelen mag.

De aanwijzing van het oord van ballingschap voor den daartoe veroordeelden aanzienlijken Inlander wordt, zooals we reeds zagen, door den G. Gr. aangewezen en moet binnen Ned. Indië gelegen zijn (a. 21 Swb. I.)

In de gevallen, dat de strafplaats door G. G. of Dir. v. J ust. aangewezen moet worden, wordt de tenuitvoerlegging van het betrekkelijk gewijsde geschorst totdat die aanwijzing is geschied (a. 324 I. R. en a. 3 Ov. Swb. I.) ')

§ 4i. Bijzon- III. Aan de veroordeeling tot een der vier zwaarste straffen Jere ^volgen, aan (doodstraf of dwangarbeid i. d. k.) zijn bij het Swb. I. verscliilSQoS"ten"end6 S'raf" *ende gevolgen verbonden. Deze straffen werden vóór de inVe|,bonden 6ttel'ik voering van het Swb. I. als onteerend gequalificeerd, d. w. z.

zij brachten van rechtswege de „eerloosheid" van den veroordeelde mede (Bepp. Swg. a. 24,) terwijl daaraan bij verschillende wettelijke bepalingen min of meer onaangename gevolgen verbonden waren. In § 25 werd reeds gezegd, dat bij toepassing dezer bepalingen de vier zwaarste straffen bij voortduring als onteerend zullen worden beschouwd (a. 391 Swb. I.), daaraan m. a. w. diezelfde gevolgen zullen verbonden blijven. Vele dezer gevolgen nu zijn in het Swb. I. overgenomen, b.v. dat van artt. 149 en 269 I. R. en de daarmede overeenkomstige artt. van B. Rv. en Sv.; verscheidene andere echter niet, waarbij dusa. 391 Swb. I. toegepast moet worden.

i") Art. 324 I. R. spreekt alleen van G. G., omdat volgens Bepp. Swg. de strafplaats in alle gevallen, waarbij de straf elders moest worden ondergaan, door den G. G. werd bepaald.

Men heeft verzuimd, dit art. in 1872 aan te vullen. (Verg. a. 302r Sv» (Sbl. 1901 no. 124) en a. 3 Ov. Swb. I.)

Sluiten